Eenzame uitvaart #10

EENZAME UITVAART NUMMER 10

IM heer I. K., 1951 Nigeria – 22 juni 2003, AMC, Amsterdam

Dinsdag 1 juli 2003, 9.15 uur, begraafplaats St. Barbara.

Dichter van dienst: F. Starik

Maandag 30 juni 2003. Het is de dag voor mijn verjaardag. Ik mag een cadeautje voor mezelf kopen. Als ik daarvan thuiskom, zie ik dat meneer Fritz eenzame uitvaart nummer tien gemaild heeft, omdat hij me telefonisch niet bereiken kon. Dan zie ik het antwoordapparaat knipperen. De stem van Fritz, die meedeelt dat hij een uitvaart op de mail heeft gezet. Ik dacht dat meneer Fritz vakantie had. Die is vlug terug. Hij had maar een week vrij, vertelt hij, als ik hem terugbel. Niet echt een grote vakantie. En de uitvaart is al morgen: iemand heeft iets over het hoofd gezien.

Wie zal ik bellen? Van welke dichter mag ik aan het eind van deze middag vragen morgenochtend vroeg een prachtig gedicht te zeggen voor Man, een jaar of vijftig. Ik zal het zelf maar zijn, besluit ik. Omdat ik die dag toevallig jarig ben. Een vreemde verjaardag was het al. Dit kan er nog wel bij. Ik besluit het grote raadsel van de dood aanschouwelijk te maken in het besef, dat wie doodgaat nooit meer jarig hoeft te wezen, wat op zich een opluchting kan zijn.

Ik haat verjaardagen. Het is een onaangenaam familietrekje. Mijn vader begon ermee. Hij hield niet van cadeaus. Niet van het geven. En niet van het ontvangen. Hij kon het niet. Hij had al moeite met het veinzen van enige verrassing en dankbaarheid. Het begint met de hekel aan het fenomeen cadeau, en daarna komt de weerzin tegen de feestdag zelf. Dat je iets leuks moet doen. Gezellig. Niet gezellig. Het eindigt ermee dat mijn broers zich tegenwoordig allebei verstoppen op hun verjaardag: dan zijn ze zogenaamd niet thuis. Of ze toch een cadeautje willen, vraag ik dan. Ze zouden niet weten wat. Ze kopen zelf wel wat ze nodig hebben, zeggen ze. Laat maar, bedankt. Het ontslaat ze van de plicht aan mij te denken op mijn verjaardag. Wel zo gemakkelijk. Ik heb mij nog kranig geweerd, op mijn verjaardagen, vergeleken met mijn broers. Ik nodigde van alles te eten uit. Organiseerde feestjes en picknicks, één keer zelfs een boottocht. Er is een jaar geweest dat ik mij door vierenveertig vrienden heb laten kussen. Ik weet zo precies dat het er vierenveertig zijn, want er is een filmpje van gemaakt, dat ik de felicitatiemaatschappij heb genoemd. Alle kussen netjes achterelkaar gezet. Maar dit jaar sla ik over. Ik zal nauwelijks jarig zijn. Na de uitvaart haal ik mijn zoon van zomerkamp en gaan we naar Haarlem om een vis te kopen.

Over een paar jaar is het zover. Dan ben ik net zo oud als de onbekende man, die ik morgen weg ga brengen. Het mailbericht meldt: ‘leeftijd plm. 50 jaar. Betrokkene heeft zich op 22 juni 2003 met buikklachten gemeld bij 1e hulp van het AMC alwaar hij is overleden. Verder niets bekend, geen nationaliteit. Recherche blijft zoeken naar een identiteit.’ Als ik hem was, had ik nog twee, drie, vier jaar te gaan. We hebben vijf jaar, zong David Bowie ooit, vijf jaar. That’s all we got. Ik heb lang gedacht dat hij erachteraan zong: it means more than a lot. My brain hurts like a warehouse. I had no room to spare. Maar ik geloof eigenlijk niet dat ik de tekst helemaal goed verstaan heb. Wie vergelijkt zijn brein nu met de V&D?

Dinsdag 1 juli. Na een hopeloze serie herfstig natte zomerdagen is het vanochtend droog. Tenminste droog. Het regent niet, daarmee is alles gezegd. De grijsheid verlaat de dag voorlopig niet. Pieter Verbeek van de Dienst staat buiten te wachten als de jarige arriveert. We schudden handen. Uitvaartleider Dennis, een blozende dertiger, waarschijnlijk als gevolg van hoge bloeddruk, aangezien zich vlak onder de blos een intense bleekheid schuilhoudt, meldt dat onze onbekende dode een naam heeft gekregen: I. K.

Omdat er op het formulier een komma tussen de twee namen staat, zou de achternaam heel goed de voornaam kunnen wezen. Ik besluit het gedicht niet te veranderen. Hij is nog twee jaar ouder geworden, vanmorgen. Een geboortedatum wordt op het formulier niet gegeven, alleen het jaartal 1951. Geeft hem zomaar twee jaar extra. Tijdens het eerste muziekstuk, uit het bekende lichtklassieke repertoire, probeert een bejaarde de aula binnen te treden. Dennis maakt hem duidelijk dat er een uitvaart bezig is, maar zo gemakkelijk laat de bejaarde zich niet wegsturen. Hij wil graag een kaarsje opsteken. Even later verschijnt er nog een, ditmaal via de zij-ingang. Daarna steekt, na een schuchtere klop, een drietal grijze hoofden tegelijk om de hoek van de deur. Het gedicht gaat half verloren in het rumoer van de oprukkende bejaarden.

Man

Omdat ik vandaag mijn verjaardag vier.

Vijfenveertig jaar. Omdat ik een leeftijd heb.

Mijn jaren tel. Een toevallige dag. Toch sta ik hier.

Omdat ik weet wanneer ik jarig ben, nog wel.

 

Als ik over mijn schouder kijk, zie ik

de wereld achter mij. Ik heb geschiedenis.

Kijk ik voor me, zie ik de kist, waarin u ligt.

Ik kan dus in de toekomst kijken.

 

Als u mijn naam roept, kijk ik om.

Omdat ik mijn naam weet. Omdat ik leef.

Dìt weet ik: in leeftijd schelen we niet veel.

Ik weet op welke dag u stierf.  Een zondag.

 

Ik weet dat u bij de Eerste Hulp aankwam

met een klacht. Ik weet niet of u mijn taal sprak

of eenvoudig op de plaats waar de pijn zat wees.

De buik, het centrum van voorheen uw kracht.

 

Ik weet dat ik u niets dan deze woorden geef,

voor mijn verjaardag, ik neem u echt niet kwalijk

dat u mij vandaag niet feliciteert. Ik weet niet of

en als, de dag waarop u stierf, of u toevallig jarig was,

 

En zo voor eeuwig jarig bleef.

 

Vier dragers, meneer Degenkamp voorop, dan Dennis, gevolgd door Verbeek en mijzelf, deze kleine optocht begeleidt Ike, Kanu naar zijn laatste rustplaats. Twee kleine schepjes zand bezegelen zijn lot. Een zwart schaap blaat klaaglijk in het aangrenzende weiland. Hij is de enige, tussen een stuk of zes witte schapen. We werpen ons schepje zand. Dan slenteren we terug naar de aula. Hard, zegt Verbeek, pittig, meneer Starik. Dat je naar de kist kijkt en zegt, dat je dus de toekomst kunt zien.

Mevrouw Degenkamp schenkt koffie. Zij verklaart de opdringerige bejaarden: om tien uur wordt een algemene dienst opgedragen, altijd op dinsdag. Dat zullen we in het achterhoofd houden, meent Verbeek. Want wij willen die bejaarden niet. Dan staan we op, terug het leven in. Ik ga mijn verjaardag vieren. In mijn mooie begrafenispak arriveer ik even later op het kinderkamp, om mijn zoon te halen, die aangaf samen met mij mijn verjaardag te willen vieren. Vader en zoon reizen door naar Haarlem, alwaar zij een haring eten en een zure bom en bij de aquariumspeciaalzaak zes kleine zieke vissen kopen. En twee grote magere vissen. In alles vervuld van hetzelfde mededogen.

F. Starik