Eenzame uitvaart #1, gedicht

EENZAME UITVAART NUMMER 1

IM de heer NN, Ghana, geboortedatum onbekend – 1 november 2002, Groeneveen, Amsterdam

Woensdag 20 november 2002, half tien, begraafplaats St. Barbara.

Dichter van dienst: F. Starik

Een bleek zonnetje. Indachtig mijn ervaring op de Nieuwe Ooster, zie vorig verslag, ben ik vanochtend een kwartier te vroeg, maar meneer Fritz staat er al. Ik schud de hand van meneer Degenkamp, de baas van St. Barbara, die ik me nog herinner van dat we dichter Paul van der Steen gingen wegbrengen, en we een goedkope tweedehands steen meekregen om schoon te slijpen en te voorzien van een nieuwe naam. Blauwsteen, zo wordt het genoemd. Ze maken er ook wel geveltrappen van, de duurdere soort. Het is de goedkoopste vorm van hardsteen, en dat is dan weer duurder dan baksteen of beton. Ik herinnerde me Nescio: Hoyer, die nooit op een blauwe stoep wilde zitten, omdat dat zo koud optrok. Hoyer heeft daarin gelijk. Indien glad geslepen of versleten, trekt hij nogal koud op.

Om half tien precies komt de lijkwagen de begraafplaats op rijden. Gevolgd door twee personenauto’s, waar in totaal zestien mannen uitstappen. ‘Dat bedoel ik’, zegt meneer Fritz. ‘Onze vriend heeft wel een naam. Maar daar kom je toch niet achter’. ‘Wat doen we?’ vraag ik. ‘We gaan gewoon verder’, zegt Fritz. De mannen drommen samen in de koffiekamer. Een kleine man dringt zich naar voren. ‘Moesliem’, zegt hij. ‘No coffee! Ramadan!’ ‘We hebben een spreker,’ zegt Fritz. ‘Er is muziek, en daarna mogen jullie’. Vandaag bewijzen wij dus de laatste eer aan een anonieme dode, die in ieder geval niet alleen was. Hij werd gevonden in een flat in de Bijlmer. De flat leek in alle haast ontruimd. Een jonge man, gezien de vrienden die hem komen wegbrengen. Waarschijnlijk afkomstig uit Ghana.

De kist wordt de aula binnengereden. Muziek zoals die dagelijks op Classic FM wordt uitgezonden klinkt aarzelend op. Een mobiele telefoon gaat af. De groep mannen is aangegroeid tot twintig. Ze komen de aula binnen, wij zitten er al. Ik heb mijn overjas uitgetrokken, om mijn gedicht zonder jas aan te gaan zeggen. De jas is nieuw. Om het kostuum te vervolmaken kocht ik een parelgrijze overjas, die mooi afkleedt bij het bijna zwarte pak. Mijn suggestie om er gezien de situatie maar het zwijgen toe te doen wijst Fritz verontwaardigd van de hand. De kleine leider van de groep begint een discussie met de uitvaartleidster, al begrijpt ze niet waarover de discussie gaat. Het zal de muziek zijn, denk ik, maar bemoei me er niet mee. Opnieuw piept er een mobiel. Dan grijpt Fritz in: energiek beent hij op de druk pratende mannen af en roept: ‘in! Or out!’ Hij wijst met brede armgebaren: zit en zwijg, of verdwijn. Een paar van de mannen namen al plaats. Hun leider wijst naar buiten. De mannen verdwijnen terug in de koffiekamer. Zij, die al zaten, lijken te aarzelen. Uiteindelijk besluit één van de mannen, meer een jongen nog, te blijven zitten. Moederziel alleen blijft hij dapper achter.

Classic FM wordt langzaam weggedraaid. De uitvaartleidster knikt. Ik haal mijn papier tevoorschijn en ga achter de lessenaar staan. Terwijl ik spreek, kijk ik beurtelings naar de eenvoudige blankhouten kist, de uitvaartleidster, meneer Fritz en de zwarte jongen. Achterin de zaal dommelen de dragers.

NN.

Dag man zonder naam, ik groet u, onderweg

naar’ t laatste land waar ieder welkom wordt geheten.

Waar niets van niemand hoeft te weten. Dag meneer,

zonder papier, zonder identiteit. Wat zocht u hier? Wat bent u kwijt?

 

Wie staart nu door een leeg raam en wacht op u,

man zonder naam, wacht, terwijl ik praat,

mijn lege woorden zeg in een lege zaal.

Ik kom te laat. Ik heb u niet gekend.

 

Niet in uw zwakheid, niet in uw kracht.

Niet in het laatste land, daar, waar u naamloos welkom bent.

Ik weet niet welke taal u sprak.

 

Wie dan heeft u liefgehad? In welke kamers sliep u,

wie trok uw lakens strak, wie draagt uw hemden af?

Wie wil er in uw schoenen staan?

Wie zal dan uw weg inslaan?

 

Wie zoekt u nog? Wie weet nog waar u vandaan kwam?

Wie heeft de stem gehoord, die u toen riep

naar uw laatste haven, Amsterdam

 

Classic FM wordt weer aangezet. Dan gaan de deuren open, de kist wordt naar buiten gereden en de mannen sluiten zich vanuit de koffiekamer aan. Er komen nog meer mannen de begraafplaats op gelopen. Met vanzelfsprekende gebaren nood ik ze om aan te sluiten. Ik raak al aardig gewend aan mijn rol als uitvaartleider.

De mannen drommen samen rond het graf. Er wordt een gebed gesproken. Men spreidt de handen, wast met een symbolisch gebaar het eigen gezicht en mompelt de refreinen na. De kist zakt. Gefascineerd staren we naar het rondtollende hendeltje waarmee de kist in noodgevallen ook handmatig naar beneden zou kunnen worden getakeld. Dan is de plechtigheid voorbij. We geven alle vierentwintig mannen een hand. Hee, zeg ik, vierentwintig keer. Thanks, mompelen de mannen, vierentwintig keer.

Nou, we hebben vijf verschillende namen, zegt de uitvaartleidster opgewekt, als we naar de koffiekamer slenteren. ‘Tja,’ meent Fritz, ‘vierentwintig illegalen.’ Ze stonden vanmorgen plotseling bij het uitvaartcentrum. Ze hebben hem ritueel gewassen. Netjes toch?

Maar hoe kunnen die lui dan weten waar en wanneer ze moeten zijn? probeer ik. Ze zullen wel ergens een lijntje hebben, en een misdrijf is dat niet, antwoordt Fritz diplomatiek. Er is geen politie. Er wil nog wel eens politie komen, in zo’n geval, een stille. Alleen maar om te kijken.

Op een begraafplaats ga je niemand arresteren. Misschien hoort hij een naam. Die kleine, wijst Fritz de strenge leider aan, die zal wel een moskeetje drijven in zo’n parkeergarage, die heeft zo zijn contacten. Ze hebben het in ieder geval goed geheim gehouden. Hij haalt zijn schouders op. Je komt er toch niet achter.

De uitvaartleidster complimenteert me met mijn gedicht en de schoonheid van de voordracht. Ik was even bang dat het hoogdravend zou worden, maar dat gebeurde niet. Vooral dat ‘Wie dan heeft u liefgehad?’ citeert ze, dat greep mij aan, en van die schoenen. Ook meneer Degenkamp is goed te spreken. Mooi, vond hij het. Ach, doe ik  bescheiden, dat is mijn vak. Degenkamp wil de tekst van het gedicht nog eens rustig nalezen en wijst op zijn gehoorapparaat. Meneer Fritz wil ook een kopie, voor het archief. Dat kan. Ik heb er vanmorgen nog een enkel woord in veranderd, maar dat is niet erg. Nee, dat maakt echt niks uit, vindt hij. Nou, zegt Fritz ten afscheid, ook de professionals zijn goed over u te spreken. We zullen zien hoe het verdergaat.

Hij geeft me een warme, vochtige hand.

F. Starik