Eenzame uitvaart #0

EENZAME UITVAART NUMMER 0

IM de heer J.P.W. van V., 23 oktober 1928 – 30 oktober 2002, Paramariboplein, Amsterdam

Maandag 18 november 2002, half tien, Nieuwe Ooster Begraafplaats.

Ger Fritz en Rita van den Berg wachten mij op. Een schrale, rustige herfstdag. We nemen vandaag als enigen afscheid van de heer Van V., geboren in 1928. De gebrouilleerde zuster, waar meneer Fritz ten kantore van sprak, is niet gekomen. Zwijgend nemen we plaats op de stoelen vooraan. Een eenvoudige blankhouten kist. Een bloemstuk met een wit, leeg lint eraan. Een doordringende lijklucht. Het orgel speelt de Peer Gynt Suite, een stuk van een muziekstuk dat ik niet herken en Air van Bach, kan niet missen, in een opmerkelijke, beverige interpretatie.

Dan gaan op het knikje van de uitvaartleider de deuren open, en staan de dragers klaar om de kist in een stevig wandeltempo ter bestemder plekke te rollen. Fritz wijst onderweg de plekken aan waar nog meer klanten van hem moeten liggen. Buiten gezichtsveld van het sjorren van de kist wachten wij tot de toebereidselen zijn voltooid. De uitvaartleider spreekt: wij nemen afscheid van de heer van V. Vertrouwen wij het lichaam aan de schoot der aarde toe. Hij neemt een minuut stilte in acht, die ruim genomen lijkt: zou zo’n man dan langzaam in zichzelf tot zestig tellen en raakte hij al doende enigermate de tel kwijt? Een kille wind doet in mijn linkeroog een traan opwellen. Een geile merel zingt. Het knopje dat de kist volautomatisch naar één diep moet laten zakken weigert dienst, een der dragers moet zich bukken om de noodknop in werking te stellen. Wij werpen een schep zand. Fritz schept zelf, een forse portie. Mevrouw van den Bergen krijgt van de uitvaartleider een schamel hapje aangeboden. Eenzelfde kleine portie verlaat mijn hand.

In de koffiekamer tekenen we gedrieën het condoleanceregister. Het is wel degelijk meneer Van V., zonder der, zie ik. Fritz steekt de kaarten met onze eigen naam erop in zijn map, dat gaat in het archief. Daar is de koffie. Een juffrouw vraagt zuinig of we ook melk willen. Fritz verklaart de opmerkelijke interpretatie van de muziek: het orgel is nog koud, na het weekend. De bejaarde uitvaartleider schuift aan. Fritz wijst op de aanwezigheid van meneer Starik hier. De uitvaartleider is het ermee eens. Mooi idee, mompelt hij. Van die kant geen verzet. En ik mag Fritz voortaan Ger noemen. We nemen er nog een. We hebben het best gezellig.

Tussen het eerste en het tweede muziekstuk, vindt meneer Starik de enige plek voor de dichter in het soepele proces. Fritz is meer voor buiten, staande aan het graf, waar de uitvaartleider spreekt, van de schoot der aarde en vertrouwen: dat is genoeg. Een mooie zin. Niets meer aan doen.

Dit is het gedicht dat ik later thuis schreef:

*

Hier lig ik, alleen

in mijn eenvoud, in mijn blankhouten kist.

Eindelijk rust. Niemand die mij mist.

Ik had een tijdelijk contract.

 

Ik ben al weg, ga heen

en verdwijn zonder klacht

in het duister, mijn duister.  Ik luister

– even nog – naar de doffe klank van een stem.

 

Een stem van buiten de kist, waar ik ongekust

te neder lig en zwijg. Dit leven afgemaakt en klaar.

Afgerekend, opgelucht.  Hoort wie klopt daar.

 

Van de weg geraakt, de juiste weg, de middelmaat.

Naast mijn kist hier staat en kletst en zucht. Daar ga ik.

Zo, er kwam aan einde aan mijn klucht.

 

We moesten het dan maar eens proberen, meent Ger. Kom woensdagochtend half tien naar St. Barbara, dan hebben we er weer een. Een onbekende man, in een leegstaand pand dood aangetroffen. Geen leeftijd, geen nationaliteit. Dat is alles. Daar zegt u dan uw gedicht, meneer Starik. Dan kunnen we eens zien, welke moeilijkheden wij nog tegen komen. Ik weet niet of u nog wat op de plank heeft liggen? Hoe lang duurt dat eigenlijk, zo’n gedicht? Ik gok op veertien regels, we gaan voor het sonnet. Veertien regels: Fritz knikt instemmend.

Langzaam fiets ik naar huis. Onderweg noteer ik met de nieuwe pen die ik bij wijze van relatiegeschenk heb meegekregen alvast wat losse regels op een hoekje van de krant die ik had meegenomen, voort geval ik me ter plekke zou vervelen. Daar kwam het niet van. De plechtigheid was binnen het uur voorbij, inclusief de beide kopjes koffie die we toe genoten.

De maandag glijdt voorbij in een naamloos sonnet, dat vriendelijk en toch verstandig klinken moet. Wat zegt men over niemand? Je zou het kunnen opvatten als een sollicitatiegedicht.

We moesten het maar eens proberen, meent Ger. Kom woensdagochtend om half tien naar begraafplaats St. Barbara, dan vindt u daar een onbekende man, in een leegstaand pand dood aangetroffen. Geen leeftijd, geen nationaliteit. Daar zegt u dan uw gedicht, meneer Starik. Dan kunnen we eens zien, welke moeilijkheden wij nog tegenkomen. Heeft u nog wat op de plank  liggen, vraagt hij. En hoe lang duurt dat eigenlijk, zo’ n gedicht? Ik gok op veertien regels, we gaan voor het sonnet. Veertien regels: Fritz knikt instemmend.

Langzaam fiets ik naar huis. Onderweg noteer ik met de nieuwe pen van de uitvaartvereniging die ik bij wijze van relatiegeschenk van de heer Fritz heb meegekregen, alvast wat losse regels op een hoekje van de krant die ik had meegenomen, voor het geval ik me ter plekke zou vervelen. Daar kwam het niet van. De plechtigheid was binnen het uur voorbij, inclusief de beide kopjes koffie toe. Thuis hang ik voorheen het bruiloftskostuum netjes op een hangertje.

De maandag glijdt voorbij in een naamloos sonnet, dat vriendelijk en toch verstandig klinken moet. Wat zegt men over niemand? Een jonge man, waarschijnlijk afkomstig uit Ghana, gevonden in een flat in de Bijlmer, die kennelijk door meer mensen bewoond en die in alle haast ook weer verlaten werd. Naar men aanneemt gaat het om illegaal in ons land verblijvende personen. Geen mensen, maar personen. Ongewenste vreemdelingen. Eentje minder.

F. Starik