Eenzame uitvaart #306, verslag

Maandag 23 februari 2026, 10:00 uur
begraafplaats St. Barbara, Amsterdam
Dichter van dienst: Maria Barnas
Auteur verslag: Joris van Casteren

Nautilus

Op de deurmat van meneer K. staat ‘Welcome’ maar de buren van het riante wooncomplex aan de Eerste Jan Steenstraat in de Amsterdamse Pijp weten zeker dat er afgezien van een verwarmingsmonteur nooit maar dan ook nooit iemand bij hem naar binnen is gegaan.

Dat Welcome was dus telkens weer een behaaglijk, aan zichzelf verkondigd onthaal. Als meneer K. thuiskwam en de deur achter zich vergrendelde, schreed hij langs een haag van plafondhoge boekenkasten, zijn hoogsteigen universum binnen.

Hij was als Jean Floressas des Esseintes uit Joris-Karl Huysmans’ À Rebours (1884): een hoogstaande heremiet, een soort Diogenes van Sinope, levend in een ton, een Wittgenstein in Skjolden. Al zeer lang geleden was meneer K. in innerlijke ballingschap gegaan, ver weg van triviaal geklets.

Of hij Huysmans kende of gelezen had – in de postmoderne kloostercel aan de Eerste Jan Steenstraat was geen werk van deze auteur present – is nog maar zeer de vraag want de smaak van meneer K. ging veel meer uit naar magische fictie in de Hobbit-trant, iets wat Joris-Karl naar mijn inschatting weinig had kunnen bekoren.

Wittgenstein kende hij zeker wel, diens Tractatus was aanwezig, en gelet op wat hij op de geboende, achter glazen deuren verborgen ebbenhouten planken aan mathematica had staan, zou meneer K. best wel eens goed in rekenen kunnen zijn geweest.

In het bijzonder boeide hem het schaakspel, dat van oudsher diepe verbindingen met logica en wiskunde onderhoudt. De woonkamerwanden gingen bijna volledig bedekt achter allerlei standaardwerken, zoals de rond 1300 geschreven Ludus Scaccorum van de Italiaanse monnik Jacobus de Cessolis, biografieën van grootmeesters als Emmanuel Lasker en Alexander Koblenz, en handboeken voor listige tactieken, zoals The Budapest Gambit (2009) en Play the Caro-Kann, A Complete Chess Opening Repetoire Against 1e4 (2007).

*

De kluizenaarscel was volstrekt smetteloos: alles blonk, nog geen pluisje zweefde rond. Flink in contrast dus met de naamgever van de straat, specialist in het vastleggen van smerige, verdorven huishoudens.

Op verschillende plekken lagen plumeaus klaar die meneer K. zelf hanteerde want een schoonmaker, die hij zich gemakkelijk had kunnen veroorloven, zou hem op de zenuwen hebben gewerkt.

De genadeloze orde kwam maximaal tot ontbranding op de metalen applicatietafel annex bureau, waar een zelfherstellende snijmat met overzichtelijke bewerkingslijnen op was aangebracht.

Gezeten in een comfortabele, ergonomische draaistoel, voer meneer K. in deze stuurhut weg van het buitengaatse geraas, om koers te zetten naar zijn overzichtelijke binnenwateren.

Alles was hier binnen handbereik: van schrijfgerei, ordners, paperassen en folianten tot de concentratieverhogende loupelamp, de papierversnipperaar, het verrijdbare prullenbakje en de bankschroef voor precisiewerk aan toe. Zo en alleen zo hield meneer K. grip op alles.

*

Om de hoek lag het slaapvertrek, met een fris gewassen eenpersoonsbedje dat nauwelijks ruimte innam. Ook hier opnieuw die doelgerichte efficiëntie. De kledingkasten met keurig opgevouwen stapeltjes sokken en ondergoed en met gestreken goed aan hangertjes, waren niet alleen kledingkasten maar dienden ook een ander, breder doel.

Aan de buitenzijde had meneer K. ze eigenhandig van panelen met  beschrijfbare coating voorzien. Met markers noteerde hij hierop de maanden van het jaar, in dat onberispelijke handschrift van hem.

Elke kastdeur vormde zo een maand, neerwaarts volgden de dagen, die hij met een strenge liniaalstreep van elkaar scheidde. Het overgrote deel van de dagen bleef leeg, een heerlijk vooruitzicht. Slechts heel soms diende hij ergens op te draven.

Doorgaans betrof het een medische afspraak, met zwarte stift aangekondigd. Een cardioloog controleerde om de zoveel tijd zijn hart, een tandarts zijn gebit en eens per jaar bezocht hij de dermatoloog en een pedicure.

Afspraken in kleur betroffen de geneugten des levens, in casu de schaaksport. Meneer K. speelde online met een mij helaas onbekende gebruikersnaam via platforms als Chess.com en nam geregeld aan toernooien deel die hij beslist niet wilde missen.

De minimale verplichtingen, rimpeltjes binnen een uiterst overzichtelijk bestaan, had hij evengoed in een agenda kwijt gekund, desnoods op een kalender. Voor meneer K. moest het schema zichtbaar zijn, hij stond ermee op en ging ermee slapen.

*

Voorheen zette meneer K. met kwastjes en componentenlijm schaalmodellen in elkaar. Die hobby luwde, de bouwsels, waaronder een Duitse ‘portaalkraan’ uit de Tweede Wereldoorlog waarmee miniatuurtanks van en op treinstellen geplaatst konden worden, waren al geruime tijd in geëtiketteerde ladekasten opgeborgen.

In plaats daarvan was meneer K. van plan geweest zich op kunst te gaan richten. Daartoe schafte hij reeds allerlei boeken aan, waarmee bepaalde schildertechnieken eenvoudig onder de knie te krijgen zouden zijn. Ook kocht hij een airbrush-apparaat, dat nooit werd aangesloten.

De schetsblokken die hij dacht te gaan vullen bleven in plastic verpakt, alsof hij op het laatst besefte op dit terrein niet helemaal bevoegd te zijn. Of misschien omdat hij bij nader inzien het risico op verfgespetter in de smetteloze woning vreesde.

*

Van Team Uitvaarten van de gemeente Amsterdam vernam ik dat meneer K. geen broers of zussen had. Zijn ouders zijn in de vorige eeuw al overleden, hij trouwde niet en kreeg geen kinderen.

Ik speurde verder, naar ooms en tantes. Maar de familietak, zowat het gehele parenteel, is zo dood als een pier. Alleen een ongetrouwde nicht aan vaderskant is nog in leven.

Zij bleek, geruime tijd na de scheiding van haar ouders, door de nieuwe vrouw van haar vader te zijn geadopteerd. Meneer K. heeft ze nooit gekend. De vijf andere neven en nichten, allen inmiddels het hoekje om, bleven net als meneer K. kinderloos, waarmee in één generatie vier geslachten ophielden te bestaan.

*

De vader van meneer K. was bierbottelaar, blijkt uit gegevens van het Amsterdamse Stadsarchief. Tot aan het huwelijk in 1952 werkte zijn moeder als boekbindster.

Op 21 maart 1953 kwam meneer K. ter wereld, toen in Zeeland, ruim anderhalve maand na de Watersnoodramp, een van de laatste dijkgaten werd gedicht.

Het Britse Natuurhistorisch Museum maakte die dag bekend dat een bepaalde archeologische vondst, die van de Piltdown-mens uit 1912, een vervalsing was: de onderkaak bleek afkomstig van een hedendaagse oerang-oetan.

In die bemoedigende wederopbouwjaren maakten de kranten in speciale kolommen nauwgezet melding van geboorten. Om een of andere reden viel meneer K. die eer niet te beurt, alsof hij toen reeds geen zin had om mee te doen en liever onzichtbaar wilde blijven.

In 1981 gingen zijn ouders uit elkaar, de moeder verliet het huis aan de Amstelveenseweg met uitzicht op het Vondelpark, waar meneer K. als jongen waarschijnlijk speelde, en vertrok naar Amersfoort waar ze tien jaar later alleenstaand overleed.

De vader hertrouwde met een Curaçaose, in 1983 verkasten ze naar een flat in Purmerend. De Curaçaose, ook dood inmiddels, had geen kinderen en zou die ook niet krijgen.

*

Een fotoalbum, aangetroffen in de woning, tovert in sepia het interieur van het ouderlijk huis tevoorschijn. Chinese vazen, eikenhouten meubelen, een set antieke dolken aan de wand.

Meneer K. op jonge leeftijd, lachend achter een rekenschrift gezeten, pen in de hand. Een klassenfoto in zwart-wit, genomen op een onbekende middelbare school. In geruit overhemd, verlegen met een veel te zware bril.

Geen buitenlandse reizen, wel maakte het gezin uitstapjes in de omgeving. Poseren bij de Riekermolen aan de Amstel, meneer K. hurkend bij het bronzen beeld van Rembrandt, dat verderop aan het fietspad staat.

Jaren later is hij daar opnieuw, in gezelschap van een jonge vrouw ditmaal. Haar jurk waait op, zijn haar is lang. Wijde pijpen wapperen om zijn enkels, de bril is modieuzer nu.

Nog een poos is de vrouw in beeld, in de jaren tachtig is ze plotseling verdwenen. Meneer K., zakelijk gekleed en ietwat kalend, werkt dan bij de Nederlandsche Middenstandsbank, vanaf 1991 ING geheten.

*

Meneer K. bekleedde geen hoge positie bij de bank, hij kwam terecht bij Facility Management, een afdeling die onder meer het interne postsysteem beheerde. Soms vonden daar borrels plaats, iemand maakte dan foto’s, die hij vervolgens in het album plakte want alles had een plaatsje nodig.

Ongemakkelijk staat hij erbij, altijd wat terzijde. Met snor en baard, vrijwel kaal inmiddels. Rond de eeuwwisseling is wat er over is aan haren grijs.

Een ander interieur, dat van zijn vorige woning, aan de Jan van der Heijdenstraat, waar hij volgens de Stadsarchiefgegevens tijdelijk samenwoonde met een dame, de verdwenen vrouw misschien. Er was ook een Karthuizer kat, al best wat boeken, en volle asbakken, omdat hij toen nog rookte.

Wat vond er plaats? Verliet ze hem op afschuwelijke wijze? Zag hij om die reden af van trouwen, bleef hij daarom vrijgezel? Of waren, net als bij Des Esseintes, zijn ‘verzadigde zintuigen’ domweg uitgeput geraakt na ‘al het denkbare’ en wenste hij slechts omgang met zichzelf, ‘in een knusse, behaaglijk warme, roerloze ark’?

Het huis aan de Van der Heijdenstraat werd gerenoveerd, de woningcorporatie bood hem in 2006, ruimschoots voor zijn pensionering, de woning aan de Jan Steenstraat aan.

*

De buren hebben echt wel hun best gedaan. Soms moest de bewonerscommissie iets ondertekend hebben. Meneer K. ontving dan een mail die hij onbeantwoord liet.

Vervolgens belde een afgevaardigde aan en zette meneer K. uiterst vriendelijk in de deuropening de benodigde paraaf. Vergaderingen woonde hij niet bij, met een glimlach weerde hij zulke verzoeken af.

Een buurvrouw vroeg hem of hij wilde helpen in de gezamenlijke binnentuin. Heel beleefd zei hij dat hij daar geen interesse in had. De ramen hoefde van hem niet worden vervangen, hij had er net een bepaald soort folie op geplakt.

De buurman kwam hem tegen in de berging. Meneer K. was juist klaar met een klusje, hij had iets staan zagen. ‘Dat is ook weer klaar, dan kan dit weg,’ sprak hij toen. Een ongewoon spontane uiting.

Ze zagen hem naar de supermarkt lopen, soms met onbekende bestemming richting de stad. Hij fietste niet en had geen auto, nooit ging hij op vakantie. De wereld kwam wel naar hem, gedoseerd, in de vorm van pakketjes die doorgaans boeken bevatten. Als er iets voor de buren bij was legde hij dat stilletjes voor hun deur.

Twee jaar geleden ontplofte er zwaar vuurwerk in het portiek, een brievenbus raakte beschadigd. Bewoners stormden naar buiten, behalve meneer K., waarschijnlijk verzonken in een schaakpartij.

*

Afgelopen kerst deed hij volstrekt onverwacht een schokkende ontboezeming aan de buurvrouw van de binnentuin. Vrij uitgeput kwam hij de trap op met zijn boodschappen en vertelde nahijgend dat hij aan zijn hart was geopereerd.

Geschrokken wilde ze de zware tas, gevuld met eenpansgerechten, naar zijn voordeur dragen. Dat hoefde absoluut niet, het kwam wel goed. Aangemoedigd door de plotselinge openhartigheid vroeg de buurvrouw of ze hem enkele hazelnootmakronen zou brengen.

Die hazelnootmakronen lagen bruin te worden in haar oven, ze zouden zalig smaken. Meneer K. geloofde dat meteen, maar sloeg het genereuze aanbod beheerst af.

*

Niet lang daarna is hij bezweken. In de nette huiskamer, naast een bijzettafeltje waar in volgorde van grote afstandsbedieningen op lagen, en een koptelefoon met ruisonderdrukking. In zijn val sleepte hij een globe en een speaker mee.

Zijn bril vloog af en landde op het parket, naast een lectuurbak met schaaktijdschriften. Weken heeft hij daar gelegen, zodoende zelf de troep veroorzakend waar hij zo van walgde.

De buren merkten niets, zijn huisarts trok aan de bel, toen de immer stipte meneer K. begin februari niet in het ziekenhuis verscheen waar de cardioloog hem wilde inspecteren.

*

Maandagochtend 23 februari, begraafplaats Sint Barbara. Enkele buren zijn gekomen, geschokt door het gebeuren, onder hen de mevrouw van de hazelnootmakronen. Meneer K. had een uitvaartverzekering, niemand hoefde iets voor hem te betalen.

Na een dienst in de kapel met poëzie en muziek rolt de baar over het grind richting laatste bestemming. Daar gaat de kapitein, zijn Nautilus wordt binnenkort ontmanteld.

Joris van Casteren.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *