Eenzame uitvaart #305, verslag

Vrijdag 20 februari 2026, 10:00 uur
begraafplaats St. Barbara, Amsterdam
Dichter van dienst: Bernard Wesseling
Auteur verslag: Joris van Casteren

Iron Maiden

In de Sneeuwbalstraat laat ik op mijn telefoon een foto zien van meneer O., die geruime tijd dood in huis lag. ‘O, wat erg, ik herken hem niet,’ zegt buurvrouw Anita vanuit haar portiek. ‘En dat woont gewoon naast je!’

Dat het uitgerekend hier moest gebeuren. In het hechte, oergezellige Floradorp in Amsterdam-Noord. Waar de mensen nog naar elkaar omkijken. Waar unieke tradities bestaan. Zoals het verbranden van kerstbomen, onlangs verboden door het bemoeizuchtige gezag.

De 52-jarige meneer O. woonde direct om de hoek, op een gehuurde bovenverdieping aan de Wingerdstraat. Zijn huis grenst aan het hare, buurvrouw Anita’s opgang en entree liggen aan de Sneeuwbalstraat.

Het lichaam van meneer O. werd op 29 januari uit de woning getakeld. Buurvrouw Anita had niets in de gaten, tot bij het kruispunt een hele oploop ontstond.

Eerst dacht ze dat het om Bertus ging, een verstokte vrijgezel die ze wel eens spreekt. Maar Bertus was gewoon op z’n werk, het betrof de onbekende bewoner van het hoekpand ernaast.

Wekenlang lag meneer O. aan de andere kant van haar muur te verteren. Terwijl zij als thuiswerkende zelfstandige nietsvermoedend achter haar computer zat. ‘Een verschrikkelijk idee.’

*

We kloppen aan bij een ouder stel dat volgens buurvrouw Anita alles en iedereen in het Floradorp kent. Maar de oude man, die op sjofele sloffen in de deuropening verschijnt en de foto op mijn telefoon aandachtig bekijkt terwijl hij verschillende brillen probeert, herkent meneer O. niet.

De zoon komt erbij, een imposante gestalte op orthopedisch schoeisel. ‘Nooit van me leven gezien,’ zegt de zoon na een poosje turen. ‘Terwijl ik echt heel erg goed ben in koppen onthouden.’

Aan zijn echtgenote kunnen we beter niets vragen. Snurkend zit ze in de huiskamer in een stoel. De laatste tijd is ze vergeetachtig, en ook best agressief. ‘We laten ma gewoon lekker slapen,’ zegt de zoon.

*

Op 29 januari zag de oude man ‘een hele zooi smerissen’ aankomen. En vervolgens ‘een lijkwagen waar iets werd ingelaaien’. Vanuit de huiskamer kon hij niet goed zien uit welke woning het tevoorschijn kwam.

‘Het was rechts van Bertus,’ zegt buurvrouw Karin. Dan blijkt dat de oude man ook niet weet wie Bertus is. ‘Dat invalide mannetje?’ ‘Welnee,’ zegt buurvrouw Anita. ‘Bertus is geen invalide, hij heb ook gewoon een baan.’

‘Maar hij heb toch dat ene zwarte autootje, kom, zo’n dinges. Zo een die Ingrid ook heeft.’ Buurvrouw Anita weet weer niet wie Ingrid is. ‘Volgens mijn bedoel jij die ouwe autowasser, pa’ zegt de zoon.

Inderdaad, die bedoelt hij. De zoon zegt dat de oude autowasser in een Toyota Yaris rijdt. ‘Klopt, en hij heb ook een mobiel,’ vervolgt de oude man. ‘Iedereen heb tegenwoordig een mobiel, pa.’ ‘Een scootmobiel!’

Buurvrouw Karin is de draad kwijt. ‘Heb je het nou over die man die overleden is of niet?’ ‘Nee, ik bedoel de man die jij bedoelt.’ ‘Maar Bertus is niet invalide,’ zegt buurvrouw Karin nog eens.

‘Loop er godgloeiende gewoon effe heen pa!’ zegt de zoon, die vreest dat ma in de huiskamer uit haar sluimer ontwaakt. Hij geeft z’n vader een zetje en gooit de deur met een klap dicht.

*

We steken de Sneeuwbalstraat weer over, het gaat niet erg snel. ‘Ik heb diabetes en me poten zijn finaal naar de klote,’ zegt de oude man. De voetzolen geven geen signalen door aan de hersenen, ‘of zoiets.’

Gewoonlijk neemt hij z’n stok mee, maar die kon hij dankzij de zoon niet pakken. ‘Want ik ken zomaar in ene omflikkeren.’ Buurvrouw Anita grijpt hem stevig vast.

Op de hoek van de Wingerdstraat wordt alles duidelijk. De invalide autowasser woont links van Bertus. Dat zich rechts ervan nog een adres bevindt is de oude man nooit opgevallen.

We brengen hem terug, begeven ons vervolgens naar de Lido, een voordelige buurtsupermarkt waar veel Floradorpers boodschappen doen. ‘Er is iemand overleden, maar niemand kent hem,’ zegt buurvrouw Anita als we het winkeltje betreden.

De mensen schrikken. ‘Nee niet nu, alweer een poosje geleden.’ Opnieuw gaat mijn telefoon van hand tot hand en wordt de foto, afkomstig van een in onbruik geraakt Facebookprofiel, aandachtig bekeken.

Niemand herkent meneer O., het is toch wel ontzettend triest. ‘Zoiets zou hier vroeger nooit gebeuren,’ zegt een vakkenvuller. ‘In wat voor wereld leven we toch?’ aldus de kassière.

*

Meneer O. had een bewindvoerder. Een aardige mevrouw, die ik de volgende dag spreek. In 2019 werd hij bij haar aangemeld, door een buurtteam in Amsterdam-Noord.

Hij was zelf naar dat buurtteam toegegaan, vermoedelijk omdat er iets bij hem was afgesloten. Op het kantoortje van het buurtteam maakte de bewindvoerder kennis met hem, hij wilde niet dat ze bij hem thuis kwam.

Meneer O. arriveerde met een zak vol ongeopende post. Ze schrok een beetje van zijn verschijning. ‘Hij had de omvang van een sumo-worstelaar.’ Verlegen zat hij op een voor hem veel te kleine stoel, nauwelijks keek hij haar aan.

De bewindvoerder constateerde dat hij een flinke schuld had opgebouwd. Hij had ooit wel gewerkt, een begeleid baantje in de groenvoorziening en ook nog iets in de logistiek, maar dat was alweer lang geleden.

Ondanks minimale inkomsten, hij genoot een bijstandsuitkering, lukte het de schuld weg te werken. Meneer O. wilde graag onder bewind blijven, want hij wist zelf ook wel dat er anders opnieuw problemen zouden ontstaan.

Samen schreven ze een brief aan de rechter, de permanente bewindvoering werd bekrachtigd. Vanaf dat moment communiceerde de bewindvoerder alleen nog telefonisch of per app met hem. Het duurde altijd zeer lang voordat meneer O. reageerde.

Ze denkt dat hij veel televisie keek, want hij had abonnementen op meerdere streamingdiensten. Andere uitgaven, los van de boodschappen, waren er niet.

In 2021 gaf meneer O. gaf aan te willen sparen voor een fiets, een beetje beweging zou hem goed doen. Toen er voldoende opzij was gezet zouden ze samen een rijwiel gaan uitkiezen. ‘Maar die afspraak werd telkens door hem verzet.’

Rond de feestdagen vroeg ze hem per app of hij het kerstgeld waar hij recht op had op zijn betaalrekening wilde ontvangen. Hij reageerde niet, maar dat gebeurde wel vaker. Eind januari besloot ze hem te bellen: geen gehoor.

Bezorgd bekeek ze de rekening, en zag dat er op 22 december voor het laatst was gepind. Bij de Lido. Ze nam contact op met het buurtteam. ‘Die zeiden: bel de politie maar.’

*

Meneer O. is nooit getrouwd geweest, kinderen kreeg hij niet. Hij had een oudere zus die in 2019 overleed op 49-jarige leeftijd. Zijn moeder werd ook niet erg oud: 47. De vader hield het langer vol, hij werd zeventig.

Het lukt me om een neef van moederskant op te sporen, hij werkt in een timmerfabriek te Biddinghuizen. Aan meneer O. heeft hij slechts ‘één vage herinnering’.

Dat ze als jongens samen voetbalden, op een trapveldje bij de Fazantenstraat in Noord, waar het gezin O. destijds woonde. Ik kan beter zijn moeder benaderen, ‘die weet waarschijnlijk meer’.

Deze tante van meneer O. woont in Nieuw Vennep. Het eenzame overlijden van haar neef verbaast haar niet. ‘Zie je nou wel, dat krijg je er van, denk ik dan bij mezelf.’

Na de dood van zijn zus had ze hem nog een opbeurend bericht gestuurd, via het in onbruik geraakte Facebookprofiel. Op dat bericht had hij nooit gereageerd. ‘Zoek het dan maar lekker zelf uit, dacht ik toen.’

Het gezin O. werd volgens haar geplaagd door tegenslagen. Een tante van vaderskant kan daar ‘meer en beter’ over vertellen, ze geeft me een nummer.

*

De tante van vaderskant is ook niet erg aangedaan, het droevige lot verbaast haar evenmin. ‘Wat mij betreft heeft hij het er zelf naar gemaakt.’

Ze vertelt dat de moeder van meneer O. uit een ‘asofamilie’ afkomstig was. De vader van meneer O. werd door haar in de luren gelegd. ‘En hij liet het altijd maar gebeuren.’

De twee zouden elkaar hebben ontmoet in een Amsterdamse dropfabriek, gevestigd aan de Looiersgracht. Na de geboorte van de kinderen diende de vader van meneer O. voor het inkomen te zorgen.

Hij werd chauffeur en werkte bij een benzinestation. ‘Tot in ene z’n benen werden afgezet, als gevolg van diabetes,’ zegt de tante. Hij kwam in de ziektewet, terwijl zijn vrouw maar geld spendeerde.

Toen er schuldeisers kwamen werkte ze haar gehandicapte echtgenoot het huis uit en liet ze het huwelijk ontbinden. De kinderen bleven bij haar. Een paar jaar later, in 1993, overleed ze aan een hartaanval, in een kroeg bij het Leidseplein die ongunstig stond aangeschreven.

Meneer O. trok in bij zijn berooide vader, die een invalidewoning aan de Westerduinenstraat toegewezen had gekregen. Zijn zus werd naar een pleeggezin in Lelystad gestuurd.

De tante denkt lang na als ik vraag of er misschien iets vrolijks valt te melden over het leven van meneer O. Een tijdje zat hij op zwemmen. ‘Hij was redelijk goed in de schoolslag.’

Volgens haar was meneer O. liever lui dan moe. ‘Het was niet iemand voor een baan.’ Ik zou eens moeten praten met haar zoon. ‘Die heb nog het meest contact met hem gehad.’

*

Deze neef werkt als elektricien in een datacentrum. Anders dan andere familieleden klinkt hij wel enigszins ontdaan. ‘We gingen best een tijdje met elkaar om.’

De neven ontmoetten elkaar op de verjaardag van de vader, kort na het overlijden van de moeder. Meneer O. zei toen hij dat hij van American Football hield. Niet dat hij het zelf zou willen spelen, daarvoor was hij veel te omvangrijk, maar hij zag het graag op televisie.

De neef stelde voor om naar de Amsterdam Admirals te gaan, een inmiddels opgeheven Nederlandse Americanfootballclub die uitkwam in de Europese competitie.

De Admirals speelden in het Olympisch Stadion. Tijdens de wedstrijden leefde meneer O. helemaal op. Na afloop doken ze de kroeg in. ‘Soms wel tot zes uur in de ochtend.’

Na enkele seizoenen nam meneer O. plotseling een meisje mee, de neef heeft geen idee waar ze vandaan kwam. Het meisje was zeer mager, ze contrasteerden nogal. Ze snapte niets van American Football en klaagde over de herrie in het stadion. Na afloop moest meneer O. direct met haar mee.

Met het magere meisje ging hij aan de Wingerdstraat wonen. Vanaf dat moment mocht hij niet meer naar de Admirals. Ze overheerste hem zoals zijn moeder zijn vader overheerste.

En net als de moeder ging het meisje er vandoor. Ze vertrok met een ander, meneer O. bleef gebroken achter. Het bordje met hun beider naam is aan de deurpost blijven hangen.

In 2007 waren de Admirals opgeheven, daar konden ze dus niet meer naartoe. De neef stelde voor om naar de bioscoop te gaan. Meneer O. wilde niets, hij was volledig lamgeslagen.

Zo verwaterde het contact. Tot de neef 5 december jongstleden werd gebeld door een Amsterdams ziekenhuis. ‘Ze hadden mijn nummer gevonden in zijn telefoon, kennelijk was ik zijn enige contact.’

Meneer O. had een hartaanval gekregen. De neef spoedde zich naar het ziekenhuis. ‘Wat doe jij nou hier?’ zei meneer O. Enkele dagen later werd hij ontslagen, de neef reed hem naar het huis aan de Wingerdstraat.

Moeizaam strompelde meneer O. de trappen op, de neef zei dat hij moest bellen als hij zich niet lekker voelde. Met oud en nieuw stuurde hij een bericht dat onbeantwoord bleef.

*

Begraafplaats Sint Barbara, vrijdag 20 maart. De neef, buurvrouw Anita en de bewindvoerder zijn gekomen. We gaan Iron Maiden voor meneer O. draaien, daar hield hij volgens de neef ontzettend van.

Buurvrouw Anita weet inmiddels waarom zij en de andere Floradorpers meneer O. niet herkenden. ‘Omdat hij altijd naar de grond keek, niemand wist hoe zijn gezicht eruitzag.’

Toen ze vernam dat hij zo dik was viel bij haar het kwartje. Ook de oude man, de zoon op het orthopedische schoeisel en de mensen bij de Lido wisten toen om wie het ging.

Joris van Casteren.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *