Vrijdag 30 januari 2026, 10:00 uur
begraafplaats St. Barbara, Amsterdam
Dichter van dienst: Antoine de Kom
Auteur verslag: Joris van Casteren
U heeft het goed gedaan
Anderhalf jaar geleden verliet de onderbuurvrouw van mevrouw H. haar gerieflijke woning in Zuid-Limburg om dichter bij haar kinderen te kunnen zijn, die met hun gezinnen in de hoofdstad waren neergestreken.
Ze moest wennen aan de Amsterdamse mentaliteit, vertelt ze op een gure dag in januari. Bovendien bleek de woning die ze vond, aan de Cornelis Trooststraat, best gehorig te zijn.
In het vertrouwde Maastrichtse hofje hielden de mensen elkaar in de gaten, daar zou ‘zoiets’ nooit zijn gebeurd. Zelf liep ze geregeld bij haar oude buurman binnen, ze had hem een krukje gegeven zodat hij makkelijker in bad kon stappen.
‘Hier is het meer ieder voor zich,’ zegt de onderbuurvrouw. We treffen elkaar in het trappenhuis, als ik bij haar wil aankloppen komt ze juist naar buiten om boodschappen te gaan doen.
*
Het was wel fijn dat er boven haar een alleenstaande mevrouw bleek te wonen. Ze was in Suriname geboren en huurde al meer dan dertig jaar de verdieping op tweehoog aan de Trooststraat.
Mevrouw H. veroorzaakte volstrekt geen overlast. De onderbuurvrouw hoorde haar ’s nachts wel eens scharrelen, maar dat was, verklaarde mevrouw H. toen ze elkaar hier in ditzelfde trappenhuis voor het eerst spraken, omdat ze moeite had met slapen. Ze liet de lichten ’s nachts ook aan.
De onderbuurvrouw merkte wel dat mevrouw H., een ranke verschijning die zich keurig kleedde en er jonger uitzag dan ze was (68) op straat soms vreemd gedrag vertoonde.
Omdat ze zelf niet meer werkt en er regelmatig op uit trok om de drukke, anonieme buurt wat beter te leren kennen, kwam ze haar bovenbuurvrouw om de haverklap tegen.
Het viel haar op dat mevrouw H. er een merkwaardige manier van wandelen op nahield. Ze draaide plotseling om en herhaalde dat een eindje verderop, waardoor haar actieradius beperkt bleef.
Toen ze elkaar een volgende keer spraken vroeg de onderbuurvrouw of ze de porseleinen voorwerpen wilde zien die ze hobbymatig maakt. Mevrouw H. kwam bij haar binnen en vond alles even prachtig. Ze was erg mager toen. ‘Ik zei nog: goed eten, hè, want je bent wel erg dun.’
*
In het najaar zag de onderbuurvrouw haar aan de Ferdinand Bolstraat een belwinkel van Odido binnengaan. Geheel overstuur kwam ze weer naar buiten, de onderbuurvrouw vroeg of het wel ging.
Mevrouw H. zei dat haar pinpas niet meer werkte, binnen weigerde men te helpen. ‘Maar dan moet je toch ook niet bij Odido zijn,’ sprak de onderbuurvrouw.
Ze bracht mevrouw H. naar ING. Het was een heel stuk lopen want bankfilialen zijn er nauwelijks meer. Ter plaatse zei een strenge medewerker dat ze eigenlijk een afspraak dienden te maken.
Maar er werd in het systeem gekeken, belangrijke gegevens ontbraken. Mevrouw H. moest naar een bepaald loket van de gemeente te gaan, dan konden ze de pinpas misschien weer activeren.
Onderweg naar huis zei mevrouw H. dat ze het zelf wel zou regelen. Ineens was ze vrolijk, honderduit vertelde ze. Dat ze werkte als ‘schooljuffrouw’, de onderbuurvrouw kon het niet geloven.
*
Terwijl we staan te praten in het trappenhuis komt een andere bewoner bij ons staan. Ze is van tweehoog, haar voordeur bevindt zich tegenover de voordeur van mevrouw H. Ze werkt in een kroeg en woont hier het langst van iedereen.
De overbuurvrouw weet nog dat mevrouw H. arriveerde. Een aantrekkelijke dame, vriendelijk maar heel erg op zichzelf. De dochter van de overbuurvrouw was net geboren, mevrouw H. kwam op kraamvisite en hield de baby vast.
In het begin kwam er heel soms iemand bij haar aan. Een eventuele partner of familieleden heeft de overbuurvrouw nooit bij haar naar binnen zien gaan.
Mevrouw H. zou inderdaad les hebben gegeven, dat was minstens twintig jaar geleden. ‘Omdat ze zo alleen was wilde ze altijd maar praten,’ zegt de overbuurvrouw. ‘Terwijl ik in de kroeg al veel geouwehoer moet aanhoren.’
Haar dochter, een volwassen vrouw inmiddels, dook weg als ze mevrouw H. op straat zag naderen. Haar man, die vorig jaar overleed, kon er ook niet goed meer tegen.
Tegen hem zou mevrouw H. hebben gezegd dat de bewoner boven haar een spion was. Deze jongeman, die het appartementje op de derde verdieping had gekocht, zocht contact met haar omdat hij van zolderberging wilde ruilen. ‘Op het laatst zag ze dingen die er volgens mij niet waren,’ aldus de overbuurvrouw.
*
In december besefte de onderbuurvrouw dat ze mevrouw H. al een poos niet had gezien op straat, er kwam ook geen geluid meer uit de woning. ‘Ineens had ik een gevoel van daar klopt iets niet.’
Dat gevoel verdween ook weer. ‘Je gaat niet de hele tijd geobsedeerd staan luisteren, je doet je eigen ding: koken, muziekje aan.’ Bovendien waren de feestdagen in aantocht. ‘Dus misschien was ze wel bij familie of zo.’
De overbuurvrouw zegt dat ze mevrouw H. ‘ergens in november’ flink hoorde hoesten. Het klonk als de zware verkoudheid van haar man, kort voor zijn sterven.
Na de feestdagen begon de onderbuurvrouw zich zorgen te maken. Een stuk riet was van het balkon van mevrouw H. naar haar balkon gewaaid. Ruim voor de kerst had ze het voor haar deur gezet en het stond er nog steeds.
Bezorgd belde ze haar kinderen. ‘Dit is Amsterdam, mam, heel anders dan Maastricht,’ zei haar zoon. Een buurtteam verscheen, vanwege een schuld die mevrouw H. al een tijd niet meer afbetaalde. Vergeefs klopten ze bij haar aan.
*
Woensdag 7 januari sprak de onderbuurvrouw in het trappenhuis de overbuurvrouw aan, die juist op weg was naar de kroeg. Die nam het bange vermoeden serieus, al had ze eigenlijk geen tijd.
Een jaar of vijftien geleden had de overbuurvrouw haar bovenbuurman dood in zijn woning aangetroffen. Hij woonde op driehoog, naast het appartement dat de jongeman heeft gekocht.
Die bovenbuurman gaf ook al tijden taal noch teken. Via de zolderverdieping wist ze toen de woning te betreden, haar man durfde het niet aan. ‘Henk lag te ontbinden op bed, nachtenlang heb ik daar slecht van geslapen.’
De dochter van de bovenbuurvrouw, die als baby door mevrouw H. was vastgehouden maar haar op straat ontweek, zei dat in het trappenhuis een reservesleutel lag. Die had mevrouw H. daar ooit verstopt.
De reservesleutel lag er nog, gedrieën probeerden ze de voordeur van mevrouw H. te openen. ‘Maar aan de binnenkant zat een andere sleutel, het lukte niet.’
Ze belden de politie op, agenten forceerden de deur. Daar lag mevrouw H., in het halletje bij de keuken, een graatmager geraamte. Uit forensisch onderzoek bleek dat ze bij overlijden nog maar veertig kilo woog. Mogelijk is ze van de honger omgekomen.
In de brievenbus zat zeer veel post. Onder meer van het energiebedrijf, dat opgewekt meldde dat in de maanden november en december aanzienlijk minder stroom en gas was verbruikt. ‘U heeft het goed gedaan!’
*
Team Uitvaarten van de gemeente Amsterdam deed onderzoek maar kon geen familieleden vinden. Mevrouw H. was nooit getrouwd geweest, kinderen had ze niet gekregen.
Zo werd het een eenzame uitvaart. Ik vroeg Antoine de Kom een gedicht voor mevrouw H. te schrijven en vertelde hem wat ik op dat moment van haar wist.
Geboren op 20 december 1957 in Paranam. School der Evangelische Broeder Gemeente doorlopen. Op haar zeventiende naar Nederland vertrokken. Studies Frans en Engels aan de Universiteit van Amsterdam.
De Kom zei dat ik een oproep op Starnieuws zou kunnen plaatsen, een populair Surinaams weblog. Mogelijk zouden zich alsnog bekenden melden. Ik deed het en mijn inbox stroomde vol.
Mevrouw H. bleek in de jaren negentig Franse les te hebben gegeven aan het Marcanti College in Amsterdam-West. ‘Als je niet je best deed ging ze enorm tekeer, tot schelden aan toe,’ liet een oud-leerling weten.
Omdat ze zo streng was zou ze in conflict zijn geraakt met het schoolbestuur. Vervolgens werkte ze in Amsterdam-Zuidoost als huiswerkbegeleider. Ze betaalde schoolgeld voor kansarme kinderen als de ouders dat niet konden opbrengen, laat een vroegere bekende weten.
*
De meeste mails kwamen van mensen die mevrouw H. helemaal niet kenden. De familie had beter op haar moeten letten. Het was een schande voor de Surinaamse gemeenschap dat mevrouw H. geruime tijd doodlag in de woning.
‘Dat komt er nou van als je naar Nederland vertrekt,’ schreef iemand uit Paramaribo. Een familie met dezelfde achternaam verklaarde op Facebook dat ze ‘absoluut’ geen verwanten waren, bij hun zou ‘dit’ nooit gebeurd zijn.
Tientallen mensen boden aan naar de uitvaart te komen, want die mocht niet eenzaam zijn. Ook actrice Gerda Havertong stuurde me een mail. Ze wilde graag een lied in het Sranantongo voor mevrouw H. zingen.
*
En toen gebeurde wat ik hoopte: een nicht nam contact op. Namens haar moeder en een oom – broer en zus van mevrouw H. – die gewoon in Nederland bleken te wonen.
Het klopte dat er al jaren geen contact meer was, maar ze wilden wel graag naar de uitvaart komen. Ze begrepen niet waarom Team Uitvaarten hen niet had kunnen vinden.
Dat kwam omdat de al geruime tijd geleden overleden ouders van mevrouw H. in Suriname woonden. Ze beschikten niet over een Nederlands burgerservicenummer, in de Basis Registratie Personen (BPR) kwamen ze niet voor.
Team Uitvaarten kon dus wel zien dat mevrouw H. ongetrouwd was gebleven en kinderloos. Maar eventuele broers en zussen hadden alleen via de in het systeem ontbrekende ouders kunnen worden getraceerd.
*
Begraafplaats Sint Barbara, vrijdagmorgen 30 januari. Maar liefst zestien belangstellenden verschijnen. De zus, de broer, neven en nichten met wat vrienden en twee evangelische dames die tot ergernis van de familieleden, die daar niet om hebben gevraagd, klaagzangen aanheffen.
We draaien muziek van Edith Piaf, omdat mevrouw H. daar graag naar luisterde, en Adjossi van Max Nijman. De zus vraagt of de kist open mag. ‘De conditie van mevrouw is helaas niet goed genoeg,’ zegt de uitvaartondernemer.
Na afloop stelt de broer dat hij en z’n zus makkelijk gevonden hadden kunnen worden. ‘De familienaam is vrij bekend.’ Een halfbroer van mevrouw H., niet aanwezig op de uitvaart, zou ‘de eerste zwarte Prins Carnaval’ van Nederland zijn geweest.
Herinneringen worden opgehaald. Als klein kind was mevrouw H. al erg eigenzinnig. Hun vader, die een hoge positie bekleedde in bauxietfabriek Suralco en z’n kinderen de ruimte gaf zich creatief te ontwikkelen, hield haar kort en kapte eigenwijze monologen bruusk af.
Maar hij stimuleerde haar ook, door in het Frans met haar te praten, omdat hij in Frans-Guyana was geboren. Haar moeder, afkomstig uit Brits-Guyana, bracht haar het Engels bij.
Ze mocht studeren in Nederland, net als de broer en later de zus. Volgens de broer was het gastgezin in Amsterdam-Zuidoost geen veilige plek, omdat er cannabis werd gerookt, waarna ze een poosje bij hem inwoonde.
Hij had een volkstuin, ze hielp met aardbeien plukken. De kinderen schaterden toen ze de vruchten in haar neus en oren stak. Ze kreeg een vriend. Broer en zus hoopten dat het iets zou worden, het gebeurde niet.
Vanaf die tijd was ze alleen. Nadat ze ze de woning in de Cornelis Trooststraat betrok belden broer en zus nog een paar keer bij haar aan. Door de gesloten deur zei ze dat ze geen behoefte had aan contact.
Joris van Casteren.