Eenzame uitvaart #299, verslag

Donderdag 31 juli 2025, 10:30 uur
begraafplaats St. Barbara, Amsterdam
Dichter van dienst: Maria Barnas
Auteur verslag: Joris van Casteren

Bosatlas

De eigenaar van de sportwinkel in de Sleutelbloemstraat in Amsterdam-Noord weet dat meneer H. ‘overleden is geworden’. Hij weet dat hij omdat hij ‘drie miljoen vliegen binnen had’.

Een warme zaterdag in juli, de eigenaar van de sportwinkel is bezig met een klant: een gehandicapte jongen in een rolstoel die niet goed kan praten. De ouders van de jongen, woonachtig in het verderop gelegen Floradorp, leggen uit dat hun zoon nieuwe schoenen wil. ‘Terwijl hij geeneens kan lopen,’ grapt de vader.

*

Meneer H. woonde boven de sportwinkel, al vanaf 1977, toen de sportwinkel er nog niet was. Samen met zijn moeder, die in 1989 overleed. Buren die hem mogelijk kenden zijn overleden of vertrokken.

Alleen de eigenaar van de sportwinkel schijnt nog te weten wie meneer H. was. Maar de eigenaar is boos op meneer H. Want die heeft hem schade berokkend door zolang dood in de woning te liggen.

‘Twee en half rooitje onkosten heb ik eran gehad!’ Geld dat hij op niets of niemand kan verhalen. ‘En het maakt de overheid ook geen ene reet uit dat ik en mijn klanten hier gevaar hebben gelopen wegens besmettingen.’

De jongen wijst op een bepaald model sportschoen, de eigenaar haalt een doos uit het magazijn. Hij gaat voor de rolstoel zitten, om de oude schoenen van de jongen uit te kunnen trekken.

‘Heb je wel een gasmasker op?’ zegt de vader. Vanuit de rolstoel klinkt een boos geluid. ‘Laat hem lekker lullen, die ouwe,’ zegt de moeder en geeft de jongen een por.

*

‘Ik zit hier het langst van iedereen,’ vertelt de eigenaar van de sportwinkel terwijl hij de lange, magere voet van de jongen in een flitsende schoen steekt en de veters begint te strikken. ‘Maar van die man wist ik niet eens hoe ze stem klonk.’

Een goedemorgen kon er niet van af. ‘Ik praat tegen alles wat beweegt, zo staan ik nou eenmaal bekend. Maar als ik jou tien keer groet en jij zegt de elfde keer weer niks dan praat ik godverdomme nooit meer tegen je, ja?’

Ter hoogte van de grote teen knijpt hij in de nieuwe schoen. ‘Zit-ie goed, pik?’ De jongen knikt, z’n moeder vindt de schoen wat groot. ‘Hij loopt er niet op, hè, doe ze maar een maatje kleiner.’

*

Meneer H. was een lange, dunne man. Op straat bewoog hij zich haastig voort, altijd keek hij naar de grond. Tussen de kledingrekken doet de eigenaar van de sportwinkel de manier van lopen na, de jongen in de rolstoel schatert.

‘En altijd hattie datzelfde spijkerjassie an.’ Meneer H., geboren op 14 mei 1957, zou het spijkerjassie zeker vijfenveertig jaar hebben gedragen. ‘Want ik ben van drieënzeventig en als kind zag ik hem er al in lopen.’

Zelf heeft hij ook wel eens een spijkerjassie gehad, ‘want om de tien jaar zijn die dingen weer even in de mode’. Maar als hij er ‘drie weekeindjes mee in de kroeg heb gestaan zitten er al plekken in van het leunen’. Het spijkerjassie van meneer H. was van topkwaliteit.

Hoe dan ook, hij vond de bovenbuurman maar een ranzige verschijning. ‘En daarom kon niemand hem hier in de buurt verders ook, want iedereen vond hem een viezerik.’ ‘Misschien heb jij nog wel eens een scharrel met hem gehad,’ zegt de vader tegen z’n vrouw.

*

Voor de eigenaar van de sportwinkel bestond meneer H. niet meer, vandaar dat het hem totaal niet was opgevallen dat meneer H. al maandenlang niet meer buiten kwam.

Ergens in april begon het vreemd te ruiken in de zaak, vooral in het recht onder de woonkamer gelegen magazijn, waar hij opnieuw  in verdwijnt om voor de gehandicapte jongen een kleiner paar op te delven.

De eigenaar van de sportwinkel dacht dat de geur afkomstig was van een rat die ergens onder het pand in iets verstrikt was geraakt. ‘Want het stikt van die beesten sinds het stadsdeel verderop de straat heeft opengebroken en de riolering wordt verlegd.’

Maar de geur leek van boven te komen, en de drie miljoen vliegen doken op. ‘Dus zeg ik tegen een gabbertje van mij die bij de Rentokil werkt: heb ik soms een dooie muis in het plafond liggen ofzo?’

Nog voor het gabbertje van Rentokil kon komen kijken liep de nieuwe buurvrouw, die aan de andere kant naast meneer H. is komen wonen, op een dag in juni zijn winkel binnen.

‘De muis is gevonden,’ zei zei. ‘Alleen was het geen muis maar je buurman.’ Toen pas viel bij hem het kwartje. ‘Zijn dooie lijkvocht van wat bij hem lag te rotten kwam bij mij door me plafond heen!’

De ouders van de gehandicapte jongen kijken met een vies gezicht omhoog. Aan het plafond is niets meer te zien. Voor vijfentwintighonderd euro nam het gabbertje van Rentokil het zaakje onder handen.

*

De kleinere schoenen zitten beter volgens de moeder. ‘Wil je ook nog een mooi T-shirt?’ vraagt de vader, en grist wat uit het rek. ‘Hier, met Cruijff en Amsterdam erop.’

De jongen knikt, hij wil het shirt graag. ‘En ik maar betalen!’ zegt de vader. ‘Je kunt godverdomme toch ook een keertje nee zeggen?’ ‘Laat die ouwe maar lullen,’ zegt de moeder weer.

De eigenaar van de sportwinkel beweert dat meneer H. nooit heeft gewerkt. ‘Wacht effe, was het een buitenlander?’ vraagt de vader. ‘Nee, als het een buitenlander was dan had dit allemaal top afgehandeld geweest.’

Meneer H. was ‘gewoon een Nederlander’, maar wel één die anderen met problemen opzadelt. ‘Ik betaal me de tyfus in dit land!’ foetert de eigenaar terwijl de vader afrekent. ‘Om voor al dat soort mafkezen, die hun hele leven geen ene moer doen, ja, om die gewoon een beetje bezig te houden!’

‘En wat is nu eigenlijk joun bedoeling?’ vraagt hij aan mij. ‘Want kopen ho maar.’ Ik ga ervoor zorgen dat er speciaal voor meneer H. een gedicht zal worden geschreven, zeg ik. De dichter zal het gedicht op de uitvaart voordragen.

‘Maar er komt dus verders helemaal niemand? Dan kennie toch gelijk de oven in?’ De ouders vinden het ook een belachelijk initiatief. ‘Bedank hem maar voor die tweeënhalf meier,’ roept de eigenaar van de sportwinkel als ik de zaak verlaat.

*

De moeder van meneer H. groeide op in de Tollensstraat, in Amsterdam-West. Ze trouwde in 1935 met een vrachtwagenchauffeur die inwoonde bij haar ouders.

Twee portieken verder huurden ze een krappe etage. Het huwelijk bleef kinderloos. Omstreeks 1953 werd de moeder van meneer H. verliefd op een lasser, die ook bij haar ouders had ingewoond.

De vrachtwagenchauffeur vertrok, de lasser nam zijn plaats in. Ditmaal kwam er wel een kind, de moeder van meneer H. was 44 toen hij werd geboren.

De jongen was een zorgenkind. Op school werd hij ontzettend gepest, ze besloot hem thuis te houden. Hij was veertien en las graag. Ze dacht dat hij zichzelf kon onderwijzen.

De lasser vond haar te zachtzinnig in de opvoeding, in 1973 ging hij ervandoor. Haar ouders overleden. Moeder en zoon verhuisden naar de Sleutelbloemstraat in Amsterdam-Noord.

*

Zijn moeder moedigde hem aan om een baantje te zoeken. Soms lukte dat, meneer H. werkte een poosje voor de groenvoorziening. Maar nooit voor lang: de omgang met anderen viel hem zwaar.

Het liefst zat hij thuis of in de bibliotheek te lezen. Boeken, kranten en tijdschriften hoopten zich op in de woning. De moeder hield de boel op orde, na haar overlijden verrommelde de woning.

Met z’n uitkering redde meneer H. het makkelijk want hij gaf amper iets uit. Hij leefde op ingeblikt voedsel, dat hij in de aanbieding kocht en au bain-marie bereidde.

Zijn zicht was slecht, hij keek naar de grond om niet te struikelen. Dringend had hij een nieuwe bril nodig maar liever was hij blind dan bij een opticien binnen te gaan want dan moest er met anderen worden gesproken.

Naar de dokter ging hij niet, hij slikte vitaminepillen. Hij knipte zelf zijn haar en met zijn gele gebit was naar zijn idee niets mis. Bij kringloopwinkels kocht hij heel soms nieuwe kleding, een wasmachine had hij niet.

Hij had abonnementen op Foreign Affairs, National Geographic en talloze kranten. Regelmatig schafte hij boeken aan, tijdens de vaste, wekelijkse ronde langs antiquariaten en boekwinkels in de stad. In zijn hoofd hoopte zich een schat aan kennis op die met niemand werd gedeeld.

*

In 2017 eindigde dit onzichtbare bestaan, toen een monteur die de verouderde geiser controleerde en geschrokken van de stoffige rommel melding maakte bij Hygiënisch Woningtoezicht.

Een inspecteur kwam langs. Meneer H. gaf toe dat er sinds het overlijden van zijn moeder in 1989 niet meer was schoongemaakt. Hij besloot zelf naar de GGZ te gaan, om te voorkomen dat er meer delegaties over de vloer zouden komen.

Bij de GGZ werd hij getest. En kreeg te horen dat hij autistisch was. Een vriendelijke mevrouw van een gespecialiseerde instelling zou zijn begeleider worden. Langzaam won zij zijn vertrouwen.

*

Per brief moest ze laten weten wanneer ze bij meneer H. langs wilde komen. ‘Hij deed nooit zomaar open,’ zegt ze als ik haar spreek. Er was een vaste telefoonlijn in de woning. ‘Maar meestal trok hij de stekker uit het toestel.’

Ze diende drie keer te kloppen, dan liet hij haar binnen. Vervolgens sloot hij de telefoon aan en vroeg of zij een instantie voor hem wilde bellen die iets van hem moest. Een computer had hij niet, met internet wilde hij niets te maken hebben.

Het was de bedoeling dat hij het huis opruimde. Ze stelde voor dat hij zou beginnen met het leeghalen van een deel van de tafel, de rest van de woning zou dan vanzelf volgen. ‘Maar we zijn nooit verder gekomen dan dat ene hoekje van de tafel,’ verzucht ze.

Meneer H. bespeelde haar. Hij wist dat ze van vogels en sudoku’s hield. Als ze over opruimen begon haalde hij puzzels en vogelartikelen tevoorschijn die hij uit z’n lectuur had geknipt.

Hij klaagde over harde geluiden, daar kon hij absoluut niet tegen. Verbouwingen en vuurwerk leverden grote onrust op. Ze begon over begeleid wonen, was dat niets voor hem? ‘Misschien als ik een jaar of honderd ben,’ antwoordde hij.

Meneer H. dacht dat hij heel oud zou worden, met al die vitaminepillen leefde hij immers uiterst gezond. Toen ze op zijn verjaardag langskwam met een taartje at hij dat niet omdat er veel te veel suiker in zat.

Opnieuw verscheen de geisermonteur. Het apparaat kon niet meer worden opgelapt, er moest een nieuwe in. In plaats daarvan liet meneer H. het warmwater afsluiten. Douchen deed hij toch al niet, de badkamer was een opslagruimte.

*

Begin april ging de deur niet open toen ze driemaal klopte. Ze had deze afspraak per brief verzet, misschien had het schrijven hem niet tijdig  bereikt. Ze stuurde een nieuwe brief, op een dag na haar vakantie zou ze weer komen.

Bij terugkomst hoorde ze van een collega dat meneer H. geruime tijd dood in huis had gelegen. Hij lag er al toen ze begin april aanklopte. ‘Een verschrikkelijk idee.’

De schouwarts stelde een natuurlijk overlijden vast. De vriendelijke mevrouw van de gespecialiseerde instelling denkt dat de langdurige verbouwing bij de buren hem fataal is geworden. Toen ze hem in maart voor het laatst bezocht maakte hij zich al enorm druk. Zijn haar zat wild en hij transpireerde.

*

Ze komt graag naar de uitvaart, die plaatsvindt op begraafplaats Sint Barbara. In de aula legt ze een Bosatlas op de kist, want meneer H. hield enorm van atlassen.

Omdat hij ook enorm van stilte hield laat ik 4,33 van John Cage voor hem spelen, een pianostuk waarbij vier minuten en drieëndertig seconden lang geen toets wordt aangeraakt.

Joris van Casteren.

10 gedachten over “Eenzame uitvaart #299, verslag”

      1. Prachtig geschreven, ik kende hem niet maar zie hem nu in zijn levend bestaan zo voor mij.
        Zo ook het stel met de schoenen van de gehandicapte zoon.

        Met hoeveel personen is er geluisterd naar het zo treffend gekozen muziekstuk?

        Dank voor het opschrijven van dit verhaal.

  1. Een wereld erbij die nog niet in de Bosatlas stond.

    Niet elk pad van tijd en ruimte is op een kaart te vatten, of toch wel?
    De actieradius van een globetrotter, een asielzoeker en meneer H kan zo de atlas in!

  2. Een leven bovenop een magazijn schoenendozen. Een natuurlijke dood ter afsluiting van een onnatuurlijk leven. Een hoofd gevuld met een eigen wereld en in dit unieke universum, maakte hij wereldreizen met vele atlassen als navigatiesysteem.
    Voor zijn laatste reis kreeg hij ontroerend mooie cadeaus mee van zijn enige contactpersoon in het hiernumaals én van Joris die hem uitgeleide deed met 4,33 welluidende minuten doodse stilte………Zo kleine info, zo groot verwoorden. Met teruglezende kennis, was ik er graag bij geweest, Joris! Dank weer.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *