Eenzame Uitvaart

Uitvaart #4728 september 2005In memoriamMeneer K.

Groot in Japan

Gisterenavond nog zag je een film waarin iemand droomt
dat hij iemand moet vinden voordat de trein stopt.
Je moet hem vinden voor je wakker wordt.

Langs de lijn liggen zeventien stations.
Eén station passeert en dan loopt de wekker af. In de film
heb je ieder jaar dezelfde droom, en ieder jaar

doe je er één station langer over voor de wekker gaat.
Vandaag hoorde je de wekker op het zestiende station.
Nog altijd vond je hem niet, deze persoon.

Je zult je lot ontmoeten als je voortaan wakker blijft,
bevroren op het laatste perron, als je alle mensen in de ogen kijkt
tot je ziet wie het is die jij moet ontmoeten

zal het dat Japanse meisje zijn? Als je van tevoren
de gevolgen van je daden kende, zou je haar dan durven groeten?
Als je genoeg informatie had om de consequenties

van je handelen te overzien, zou je dan iets kunnen doen?
Als je met die man praat, als je dat Japanse meisje kust,
als je wist wat er te gebeuren stond,

zou je dan in staat zijn om de eerste stap te zetten? Die eerste zoen?
We leven in de leugen van het filmische moment
verdwalen in die ene, beslissende nacht

staan lang stil bij die eerste kus, terwijl het eigenlijke leven
in de doffe opeenvolging van dwaze dagen rust, reden
dat geen enkele film ooit in real time wordt uitgezonden.

Heb ik je nu eindelijk gevonden? Meneer K., jij en ik, we weten niet
of op dit laatste perron je uit die droom ontwaakt, of op de wektoon
van de bel bent ingeslapen. Of het hier eindigt, of dat het juist begon.

De heer K. werd geboren op 10 mei 1934 in Surabaya, het toenmalige Nederlands-Indië. Hij kwam in 1981 naar Nederland, volgens het Bevolkingsregister afkomstig van een onbekende bestemming, en vestigde zich in 1998 op zijn huidige adres, aan de Amundsenweg.
Hij werd op 16 september door de politie in zijn woning gevonden. De deur werd daarbij geforceerd. De woning was niet in goede staat. Er werd onder andere een foto van K. aangetroffen, waarop hij staat afgebeeld tussen een groep daklozen, als deelnemer aan 'een project'. K. is getrouwd met een Japanse vrouw, adres ontbreekt. Zij is nooit in Nederland ingeschreven geweest. Hij heeft een zus, die in 1958 naar Duitsland is verhuisd. Adres ontbreekt ook hier. Dan is er nog een stiefbroer in Singapore, die al in 1955 vertrok, eveneens onvindbaar. K. genoot naast zijn AOW van twee pensioentjes, een van maandelijks 146,15 en eentje ‘uit de horeca’, maandelijks 66,28.

De uitvaart zal worden gefilmd door een televisieploeg van het Journaal. Al maanden lang werd er door de afdeling Communicatie van de Dienst aangedrongen op de komst van het Journaal, dat een negentigseconden-item wil draaien, over de BUG, de eenzame uitvaart, en daarbij uiteraard, als kers op de taart, de uitvaartdienst zelf wil filmen. Ger Fritz is van een groot hondenuitlaten tijdelijk terug in Dienst genomen, om het Journaal te begeleiden bij de werkzaamheden. En ik zal zelf de dichter van dienst zijn. Als er iemand anders met zijn hoofd op de buis komt, gaat dat maar verwarring geven in de zin van: ik zag laatst een dichter op het Journaal, die deed dat ook. Het is wel erg jammer voor mij dat het Journaal niet op 2 november, op Allerzielen, wanneer het Boek voor de pers gepresenteerd wordt, een uitzending komt maken. Maar ik kan allicht proberen om de redactie te wijzen op de prachtige symboliek van die datum. Qua actualiteitswaarde is er dan natuurlijk de concurrentie van de ongetwijfeld overal de kop op stekende herdenkingen van de allerminst eenzame, maar even dode Theo van Gogh, alsmede van een tentoonstelling op de Nieuwe Oosterbegraafplaats, waar ik zijdelings aan medewerk, maar alla, wij noemen dat synergie. Het steekt niet op een dag. De uitvaart van K. belooft aldus een gezellige drukte te worden. Het hoofd communicatie van de Dienst, Jeroen Ranzijn, zal bij de uitvaart aanwezig zijn, alsmede het PR-meisje van de uitgeverij, Anne Kramer, met een dummy van het boek, in de hoop dat de camera genadiglijk op het aanstonds te verschijnen boek zal worden gericht. Zo helpen wij onszelf en elkaar. De dode zelf heeft er niks aan. ‘Laat het bij deze ene uitzondering blijven’, mompel ik hypocriet voor me eige uit.

Woensdagmiddag. Vanmorgen nog bracht ik mijn zoon in de regen naar school, maar in de loop van de dag is het aardig opgeknapt. Kwart voor drie draai ik mijn fiets een zonnig Vredenhof op, parkeer tegen het gebouwtje dat dienst zou moeten doen als schuilplaats voor wachtenden, maar eigenlijk altijd afgesloten is. Zo ook nu. Tim Overdiek en een andere man van het Journaal zijn er al, alsmede de heer Fritz en Ali Mahmood, de vorige keer als nieuwe medewerker van de Dienst ten tonele gevoerd, in een andere spelling. Nu vraag ik hem, hoe men hem spelt. En waarvandaan. Het Koerdische deel van Turkije, verklaart hij voorzichtig. Dat lijkt me bijzonder correct geformuleerd, maar ik informeer niet verder. Tim Overdiek, ik ken die naam, probeer ik. Jazeker, correspondent te New York en aanstonds te Londen. In between opgezadeld met klusjes hier. We klussen wat af.

De camera wordt geschouderd. De communicatiemedewerkers staan strategisch terzijde opgesteld. De lijkwagen rijdt aan. Tot driemaal toe snuit ik mijn neus, om straks niet met een snottebel te kijk te staan.

We gaan de aula binnen. Uit de woning van de overledene, die vanmorgen uitgebreid werd gefilmd, heeft Fritz drie cd’s meegenomen, de eerste, van een verbijsterende schoonheid, klinkt al op. Beniamino Gigli, Canti Sacri, leer ik later, het Panis Angelicus. We bevriezen op onze stoelen. We moeten wel. Je kunt moeilijk een beetje gaan zitten krabben aan je been, omdat er een plaatselijke jeuk optreedt, een klein hoestje loslaten, even slikken, je ogen elders vestigen, omdat je de cameraman door de ruimte hoort klossen. Rondkijken kan niet. Dat ziet er zo stom uit, die zoekende ogen, of je toevallig in beeld bent. Ik heb uitzicht op de baas van Vredenhof, die de knoppen van de muziek bedient. Hij staart schuin omhoog het niets in, en houdt zich even onbewegelijk.

Dan mag ik mijn spreekbeurt houden. Ik vertel wie we wegbrengen, van zijn geboorte en dood, van zijn vrouw in Japan, die niet gevonden werd. De uitdrukking Big in Japan wordt dikwijls door muziekgroepen gebezigd, wanneer het verhoopte succes van een nieuw album in ieder geval in eigen land uitblijft, en waar dan als excuus wordt opgevoerd: but we’re big in Japan.

*

Groot in Japan

Gisterenavond nog zag je een film waarin iemand droomt
dat hij iemand moet vinden voordat de trein stopt.
Je moet hem vinden voor je wakker wordt.

Langs de lijn liggen zeventien stations.
Eén station passeert en dan loopt de wekker af. In de film
heb je ieder jaar dezelfde droom, en ieder jaar

doe je er één station langer over voor de wekker gaat.
Vandaag hoorde je de wekker op het zestiende station.
Nog altijd vond je hem niet, deze persoon.

Je zult je lot ontmoeten als je voortaan wakker blijft,
bevroren op het laatste perron, als je alle mensen in de ogen kijkt
tot je ziet wie het is die jij moet ontmoeten

zal het dat Japanse meisje zijn? Als je van tevoren
de gevolgen van je daden kende, zou je haar dan durven groeten?
Als je genoeg informatie had om de consequenties

van je handelen te overzien, zou je dan iets kunnen doen?
Als je met die man praat, als je dat Japanse meisje kust,
als je wist wat er te gebeuren stond,

zou je dan in staat zijn om de eerste stap te zetten? Die eerste zoen?
We leven in de leugen van het filmische moment
verdwalen in die ene, beslissende nacht

staan lang stil bij die eerste kus, terwijl het eigenlijke leven
in de doffe opeenvolging van dwaze dagen rust, reden
dat geen enkele film ooit in real time wordt uitgezonden.

Heb ik je nu eindelijk gevonden? Meneer K., jij en ik, we weten niet
of op dit laatste perron je uit die droom ontwaakt, of op de wektoon
van de bel bent ingeslapen. Of het hier eindigt, of dat het juist begon.

© F. Starik

Vindplaats eenzaam overleden persoon

Dichter van dienst