Uitvaart #5718 april 2006In memoriamMeneer S.
GedichtAlfred Schaffer
FEITELIJKHEDEN
Je bent teruggefloten, voortgekomen. Bekend, met een profiel.
Hier moet het zijn, zullen we zeggen, we gluren naar binnen
en zien je nóg zitten – een taxi zoeft voorbij, de gang vol post.
De rommel op zolder blijft ‘rommel op zolder’.
Er wordt gezegd: de straat zou op dit tijdstip geen gevaar meer mogen zijn.
Er wordt gezegd: dit verzekeren wij niet, en steeds weer die verwachtingen.
Er wordt gezegd: een zichtbaar schone wijk hebben onze maatregelen
niet opgeleverd, bacteriën verspreiden zich in een handomdraai.
Nu zoeken we je huissleutels. Overal was je welkom, overal viel je in slaap.
Op je balkonnetje. In de bus met je hoofd tegen het raam. Voor de tv.
Heb je je pijn gedaan is niet de juiste vraag.
Er wordt gezegd: we tellen af, ga daar maar liggen.
Er wordt gezegd: je bent een minderheid, de soundtrack onder onze koopzondag.
Er wordt gezegd: laten we eerst een blokje om, misschien zijn we te vroeg.
Tenminste waren wij er als de kippen bij.
VerslagF. Starik
Hr. W.J. S., geboren 23 januari 1917 in Paramaribo. Op 1 april 2006 gevonden, in het water, Amsterdam.
dinsdag 18 april, 10.15 uur, Nieuwe Oosterbegraafplaats
Dinsdagochtend. Bij mijn ontwaken klettert de regen tegen de ramen. Wat zorgelijk overweeg ik om met bus en tram te reizen, wat ik maar zelden doe. Ik zou niet weten met welk nummer je dan moet. Misschien wel ergens overstappen. Men moet er ruim de tijd voor nemen. De radio beweert dat de regen in de loop van de ochtend naar Duitsland zal vertrekken. In de loop van de ochtend, tsja. Dat kan dus wel vanmiddag worden. Als ik veel te vroeg de deur uitga houdt het juist op met regenen. Goed. Dan zal ik langzaam, bijna statig naar de begraafplaats fietsen. Op topsnelheid, bij gunstige wind, kost het een half uur. Fietsend zoals een bejaarde dat doet kan ik het in drie kwartier. Spaar ik mooi een buskaart uit.
Het geld voor de uitvaarten is al drie nummers lang op. Er is nog altijd geen contract met de gemeente getekend. De al maanden geleden opgerichte Stichting wacht nu al zo lang. Laatst heeft de Amsterdamse Burgemeester, de heer Job Cohen, zich officieel tot Beschermheer van de Stichting laten benoemen. Hij schreef erbij dat zulks niet automatisch betekent dat men dan ook Recht heeft op geld van de Gemeente. Opdat wij niet denken dat het ergens goed voor is, een Beschermheer te bezitten.
Hoe langzaam ik ook fiets, ik draai ruim voor tienen de Kruislaan op. Langs Elders Uitvaartverzorging. Ik word geroepen. Vanaf zijn balkon op één hoog zwaait David Elders enthousiast gedag. ‘Alles Goed?’ roept hij me in het voorbijgaan toe. Ik laat een langgerekt ‘hee’ in het voorbijgaan door de stille Kruislaan galmen. Het klinkt verrast, alsof zich zojuist een klein wonder heeft voltrokken. Maar een antwoord is het niet.
Als ik de begraafplaats oprij, staan er acht dragers terzijde van de poort. ‘Heren. Keurig,’ laat ik me ontvallen. Eén van de dragers licht zijn hoed. Door deze erehaag laat ik me uitrijden tot het fietsenrek. In de wachtruimte buiten bij de grote aula heeft zich een groepje wachtenden verzameld. Ik zie een grote bos witte bloesemtakken, zo van een boom genomen.
Ik inspecteer de kleine aula links, de kleine aula achter, maar alle deuren zijn gesloten.
Dan zie ik dichter van dienst Alfred Schaffer aan komen fietsen. Hij heeft nu ook een begrafenisfiets. Met dubbele stang, glanzend zwart. Jasbeschermers. Hij is niet door de erehaag gereden, maar koos het kleine zijhek, achter de dragers langs. ‘Acht dragers, mooi’ vindt hij. ‘Misschien de uitvaart van half elf.’ We lopen in de richting van de wachtruimte.
Daar is ook Van Bokhoven, met een collega van de Dienst. ‘Er zijn nog best veel mensen gekomen’, constateert hij tevreden. ‘We hebben advertenties geplaatst in het Parool en in de Telegraaf’, verklaart hij de ongebruikelijke toevloed aan bezoekers. ‘Wat doen we?’vraag ik. ‘Met de uitvaartleider overleggen?’aarzelt Van Bokhoven. De uitvaartleider, een man van eind veertig, begin vijftig met een open, wat jongensachtig gezicht, stelt voor de kwestie aan de bezoekers voor te leggen. Hij vraagt de aandacht van de geachte belangstellenden. Hij wijst erop dat de bloemen aan de dragers kunnen worden meegegeven, dan worden ze netjes bij de kist gelegd.
De bloemen worden afgegeven. Nu staan we al veel dichter bij elkaar. De uitvaartleider wijst naar mij. ‘Het is Amsterdam gebruikelijk, dat er als er niemand op een uitvaart wordt verwacht, er een dichter wordt ingeschakeld’, leg ik uit. Er wordt instemmend geknikt. Ik wijs op mijn beurt Alfred Schaffer aan. ‘Vandaag is dat de dichter Alfred Schaffer. Nu weet ik niet of één van u een woord wil spreken?’ richt ik terug mij tot de aanwezigen. Daar neemt de uitvaartleider het na een effectvolle pauze over. Hij herhaalt de vraag naar de overige sprekers. Niemand. Of dan de dichter maar het woord zal voeren? Weer knikken de gezichten instemmend. ‘Wilt u spreken aan het graf?’ ‘Het is gebruikelijk dat de dichter spreekt na het eerste muziekstuk,’zeg ik vlug. Dat hoort nu eenmaal zo. Zo zijn we dat gewend. Ik zie Schaffer aarzelen, de mogelijkheid wegen tot het spreken aan het graf. Maar het is al besloten.
Een van de bezoekers komt naast me staan. Hij heeft het wel eens op televisie gezien, zegt hij, nu weet hij dat het klopt, dat er dan een dichter komt. Mooi vindt hij dat. Dat het klopt.
Tegen half elf gaan we de aula binnen. Het orgel wijst de weg. Er zitten twintig mensen, de organist, twee personeelsleden van de Dienst, uitvaartleider, de dichter en uw verslaggever van dienst meegerekend. Als het orgel zwijgt treedt de uitvaartleider naar voren vertelt nog eens dat we bijeenzijn om de heer S. naar zijn laatste rustplaats te brengen. Dan geeft hij het woord aan de dichter. Dit wist hij: de heer S. woonde in de Veeteeltstraat. Er is geen familie. Nooit getrouwd geweest. Hij werd door de politie op straat gevonden. Er is sprake van een tragisch ongeval. Hierop is geen verdere toelichting te krijgen. Volgens de Dienst was het geen verkeersongeluk. In de akte van overlijden wordt de doodsoorzaak 'natuurlijk' genoemd.
*
FEITELIJKHEDEN
Je bent teruggefloten, voortgekomen. Bekend, met een profiel.
Hier moet het zijn, zullen we zeggen, we gluren naar binnen
en zien je nóg zitten – een taxi zoeft voorbij, de gang vol post.
De rommel op zolder blijft ‘rommel op zolder’.
Er wordt gezegd: de straat zou op dit tijdstip geen gevaar meer mogen zijn.
Er wordt gezegd: dit verzekeren wij niet, en steeds weer die verwachtingen.
Er wordt gezegd: een zichtbaar schone wijk hebben onze maatregelen
niet opgeleverd, bacteriën verspreiden zich in een handomdraai.
Nu zoeken we je huissleutels. Overal was je welkom, overal viel je in slaap.
Op je balkonnetje. In de bus met je hoofd tegen het raam. Voor de tv.
Heb je je pijn gedaan is niet de juiste vraag.
Er wordt gezegd: we tellen af, ga daar maar liggen.
Er wordt gezegd: je bent een minderheid, de soundtrack onder onze koopzondag.
Er wordt gezegd: laten we eerst een blokje om, misschien zijn we te vroeg.
Tenminste waren wij er als de kippen bij.
© Alfred Schaffer.
FEITELIJKHEDEN
Je bent teruggefloten, voortgekomen. Bekend, met een profiel.
Hier moet het zijn, zullen we zeggen, we gluren naar binnen
en zien je nóg zitten – een taxi zoeft voorbij, de gang vol post.
De rommel op zolder blijft ‘rommel op zolder’.
Er wordt gezegd: de straat zou op dit tijdstip geen gevaar meer mogen zijn.
Er wordt gezegd: dit verzekeren wij niet, en steeds weer die verwachtingen.
Er wordt gezegd: een zichtbaar schone wijk hebben onze maatregelen
niet opgeleverd, bacteriën verspreiden zich in een handomdraai.
Nu zoeken we je huissleutels. Overal was je welkom, overal viel je in slaap.
Op je balkonnetje. In de bus met je hoofd tegen het raam. Voor de tv.
Heb je je pijn gedaan is niet de juiste vraag.
Er wordt gezegd: we tellen af, ga daar maar liggen.
Er wordt gezegd: je bent een minderheid, de soundtrack onder onze koopzondag.
Er wordt gezegd: laten we eerst een blokje om, misschien zijn we te vroeg.
Tenminste waren wij er als de kippen bij.
Vindplaats eenzaam overleden persoon
Dichter van dienst

