UITVAARTEN

Omschrijving van de eenzame uitvaarten in Nederland bijgewoond door de dichters in dienst van de stichting Eenzame uitvaart

zaterdag 9 januari 2010

8 januari 2010

Eenzame uitvaart nummer 14, Utrecht

Op 2 januari j.l. overleed op 55 jarige leeftijd in ziekenhuis Diakonessenhuis de heer R.E. Boxman. Hij woonde op een troosteloos flatje aan de Berlagelaan in Hilversum, had geen partner, geen kinderen en was enig kind. Dat is, naast zijn uitkeringsgegevens, dan ook alles wat er over hem bekend is.
Familie, vrienden en nabestaanden waren er niet, of niet traceerbaar, derhalve restte een eenzame uitvaart op 8 januari op begraafplaats Tolsteeg. Dichter van dienst was Ingmar Heytze.

- verslag: Ruben van Gogh

Vanaf het moment dat Bart FM Droog, in hoedanigheid van eerste stadsdichter te Groningen, het verzorgen van een gedicht bij onbezochte uitvaarten introduceerde, geldt de zogeheten Eenzame Uitvaart als morele plicht voor iedere stadsdichter. Utrecht doet het rustig aan: Ingmar Heytze gaat zijn tweede jaar als stadsdichter in, en dit is pas de eerste Eenzame Uitvaart sinds zijn aanstelling.

Ingmar en ik glibberen op deze witte, koude, vroege ochtend per fiets de stad door en bereiken met een flinke omweg begraafplaats Tolsteeg. Daar worden we opgewacht door de uitvaartleider van Tap-Ouwerkerk, vier dragers (studenten) en een medewerker van de begraafplaats. Even later, nadat de wagen is gearriveerd, lopen we achter de baar naar de laatste rustplaats voor dhr. Boxman.
Het is wit, het is koud. De begraafplaats ademt stilte. De zerken steken vanochtend nog nadrukkelijker dan anders uit met hun donkere tinten. Ingmar Heytze draagt zwarte kleding. Op sommige nieuwere stenen is een foto aangebracht van de overledene. Zij krijgen postuum alsnog nog een gezicht voor de toevallige bezoeker, die niet eens weet had van hun bestaan en heengaan. Wij lopen achter een gesloten kist, waarin een gezichtloze ligt: alles wat wij weten is zijn naam en daarmee weten wij al zoveel meer dan alle bezoekers na ons zullen weten.

Het graf ligt vlak tegen de Bokkenstraat aan; een serie eind 18e, vroeg 19e eeuwse huisjes in de jaren '80 Bokkenbuurt. De voetspoortjes die we overal zien, bewijzen dat er 's nachts wel degelijk leven rondwaart langs de zerken.
Als de kist klaarligt om de diepte van het graf in te dalen, maken de dragers een buiging. Ingmar Heytze treedt uit het omringende wit toe om zijn gedicht te lezen. Een bizar tableau vivant: aan weerszijden van het graf staan nog de dragers, achter hen in het midden de medewerker van begraafplaats Tolsteeg en vooraan de uitvaartleider, en allen kijken zij Ingmar loodrecht aan.
Niettemin draagt Ingmar zijn gedicht onverstoorbaar en statig voor. Op het juiste moment ratelt in de verte een trein voorbij. Als we weer teruglopen wijst Ingmar me op de horizon, waarachter de zon voorzichtige pogingen doet te voorschijn te komen.
 Dat zijn altijd de twee herinneringen die je bijblijven van een begrafenis, bedenk ik me: het weer en de geluiden. Verder raakt alles vergeten.


aangepaste dienstregeling

Bij de eenzame uitvaart van R.E. Boxman


Nu ben je weg. De grond is hard. Op de kist 

sneeuwt het vraagtekens, altijd weer. Als ik iets 

wist te zeggen zei ik dit: de wereld wordt wit, 

ook zonder dat er iemand ademhaalt. Je ligt 

hier hoe dan ook niet lang. Vandaag, morgen, 

over een week komt de trein naar huis voorbij

langs dooiende sloten in schuine, bleke strepen 

zon. Kun je daar niet op wachten? Bind ijzers 

onder en kluun naar de singel, zoek een schaatser 

op lage noren, haak aan als een schaduw over 

het ijs. Wanneer ook dat niet gaat, blijf liever

hier, in deze aarde, nog stiller dan het leven

dat je achterliet en niemand weet waarom. 

Ergens, matig ik me aan te denken, moet er iets 

zijn misgegaan: vastgevroren wissels, reservevloot 

niet winterklaar. Wat hindert het. Op een dag, 

werd ons beloofd, is iedereen weer thuis. Stap 

binnen. Sluit de deur. Kijk niet meer om.

08-01-2010, Ingmar Heytze



+

woensdag 30 december 2009

Eenzame uitvaart nummer 110


I.M. Zbigniew Tadeusz Bielecki, 15 augustus 1961 Koszalin, Polen – 17 december 2009 Huis van Bewaring Overamstel, Amsterdam
Begraafplaats De Nieuwe Ooster, dinsdag 29 december, 14.45 uur
Dichter van dienst: Wim Brands

Antwoordapparaat. Als ik thuiskom, tref ik Van Bokhoven nipt op kantoor, ofschoon het vrijdagmiddag al tegen zessen loopt. We proberen de fax nog maar eens, het gaat om een Poolse meneer. Moeilijke naam dus. De fax maakt keurig verbinding, maar spuugt na lang nadenken toch maar twee blanco velletjes uit. We bellen opnieuw. We spellen zijn naam.

Hij werd dood gevonden in zijn cel, op 17 december. Het lichaam werd door de politie in beslag genomen. Er vond obductie plaats. Tot welke bevinding dit leidde, deelde de politie niet mee. De dienstdoend rechercheur wenste zijn kennis niet te delen, niet met meneer Van Bokhoven, en dan zeker niet met de dichter van dienst. De rechercheur weet dingen die anderen niet mogen weten. Daarom is hij zo belangrijk en geheimzinnig.

Het lichaam werd op 21 december door de recherche vrijgegeven. Toen Van Bokhoven om meer informatie belde, was er nog niets uitgezocht – men had niet de moeite genomen familie op te sporen, die heel misschien wel wil weten dat er iemand dood is. Meneer had geen vaste woon- of verblijfsplaats. Gedurende zijn detentie, die ongeveer een maand lang duurde, is er niemand op bezoek gekomen. Aan een ganggenoot vertelde hij dat er een ex-vrouw is, kinderen, een broer – allemaal in Polen. Via de Poolse ambassade wordt de broer achterhaald. Die heeft geen geld om over te komen, voor de uitvaart. Er is ook geen geld om de overledene in Polen te laten begraven. Hij uit de wens dat er, hier, in Amsterdam dan maar, een crematie plaatsvindt en vraagt of de as te zijner tijd kan worden opgestuurd. Dat kan dan weer wel.

De rechercheur belde Van Bokhoven nog een keer om te zeggen dat hij het horloge van de overledene moest komen ophalen, een huis-tuin-en-keukending, niks waard. Gooi die zelf maar weg, zou Van Bokhoven geantwoord hebben. Bij de Dienst hebben ze daar een speciale container voor. Mobieltjes, pasjes, dat soort dingen. Die worden door een gespecialiseerd bedrijf vernietigd. Ze zullen zo'n container bij de politie ook wel hebben.
En deze meneer had dus verder helemaal niets: geen geld, geen pasjes, geen mobiel, niks. Alleen dat goedkope rothorloge, dat voor hem bijhield hoe laat het nu weer geworden was.

Ik tref Wim Brands bij de tramhalte. Trots laat ik het truukje met de ov-chipkaart zien. Zo eenvoudig is het. Vergeet prompt om uit te checken, bij de overstap. Tientje kwijt, geloof ik, is de straf. Ik zal tot in lengte van dagen niet meer uit die tram verdwijnen. Bedenk dat pas als ik de pas tevoorschijn haal om wederom in te checken. Dat is te laat. Daarbij kiezen we bij het instappen van de tram voor een verkeerde deur, die eigenlijk alleen voor uitstappen is bedoeld: we komen klem te zitten tussen deur en poortje, worden als het ware gevangen op de trap, staan als twee stoute jongetjes in de hoek. We overwegen om eroverheen te klimmen. Moet mogelijk zijn. Een meneer helpt ons eruit door het hekje achteruit te duwen, terwijl ik mij zo klein mogelijk maak in de verste hoek. 'Nu moet je dat ook bij mij doen,' vindt Wim. Het gaat maar net. 'Drie kilo overgewicht,' schat hij.

We zijn vroeg. We slenteren wat over de begraafplaats. Ik laat de Mercedes met de gul openstaande deuren op de zwartmarmeren glansplaat zien, toon waar Wally Tax ligt, we komen op de terugweg Kees Fens tegen. Hij heeft hele grote letters gekregen. In kapitalen.

De uitvaartleider neemt de muziek in ontvangst, mooi, Bartoli, zegt hij. Van Tindersticks heeft hij nog nooit gehoord. Strijkkwartet, mompelt hij goedkeurend over het derde doosje. Komt goed. Even nadat de lijkwagen rechts achterom is gereden, we krijgen dus de grote aula, arriveert Van Bokhoven. We wachten buiten tot het tijd geworden is. Van Bokhoven vertelt over die aardige mevrouw Arts van de Poolse ambassade, hij heeft haar nog een paar keer aan de telefoon gehad. Zou het misschien die mevrouw zijn, die daar in de verte nadert, met dat uitbundige bloemstuk van donkerrode rozen, in het gezelschap van die onberispelijke heer? Maar ze lopen ons voorbij, gaan naar binnen, ze komen voor de uitvaart van half vier.

De uitvaartleider gaat ons voor, de grote aula binnen, waar die grote stoelen op de voorste rij voor de directe familie zijn bedoeld. Achter die eerste rij stoelen met armleuningen wordt het meubilair eenvoudiger. Van Bokhoven en Brands gaan op links zitten, ik neem plaats op rechts. Cecilia Bartoli zingt Händel wonderschoon. Als het lied gedaan is komt de uitvaartleider naar voren, ik knik eveneens naar Brands, die opstaat en het gedicht zal voordragen.


*

Ik ken je niet, nee, maar denk te weten wie je bent: mijn grootmoeder
bij voorbeeld die net als jij Polen verliet, ze telde onderweg de
kerktorens om thuis niet kwijt te raken –

ze herhaalde dat tellen elke avond in haar dienstbodenkamer – en jij,
wat telde jij in je kamer in het Huis van Bewaring?
Ik weet dat je enige bezit een horloge was.

Ik hoop dat je denkt aan uren waarin je geleund tegen een warme muur
wacht op je broer – ik weet ook dat je een broer hebt – met wie je gaat
vissen.

Nee, ik ken je niet, maar je bent de Rus naast wie ik soms op een
bankje aan het water zit, hij wijst naar de boten, al vissend – en
imiteert een kanon en ik knik.

Je bent de Roemeen die elke ochtend aan de rand van de stad uit een
auto wordt gezet. We zwaaien naar elkaar zoals watersporters dat doen.

Ik denk dat ik je sprak vlak voordat ons buurtfeest begon.
Je vroeg of je welkom was.

Je was de ongenode gast die in een kamer sliep met negen anderen,
eigenlijk was je doodziek terwijl je de hele dag nog toeristen door de
stad moest fietsen.

Ik zie je angstige, boze blik toen iemand dokter mompelde.
Voor we het wisten was je verdwenen.

*

De microfoon staat zeer luid afgesteld, alsof er een menigte mensen moet worden toegesproken, van wie een deel hardhorend is, en een ander deel last heeft van een hardnekkige, vastzittende hoest. Vanwege dat horloge heb ik Tindersticks meegebracht, het eerste, instrumentale, nummer van het album The Hungry Saw, dat zo mooi verdrietig wegsterft, als een klok die ophoudt met tikken, inderdaad. Als laatste stuk koos ik voor het Borodin-ensemble, Tsjaikovski, het eerste strijkkwartet. Bijna acht minuten. We hebben de tijd. Als de muziek is uitgeklonken, vraagt de uitvaartleider of hij ons mag voorgaan. Dat mag. We staan op, buigen voor de dode, ik geef een klopje op de kist. We lopen zo de koffiekamer in. Ik eet twee plakjes cake. Ik vind de cake lekker. Hij lijkt nog een beetje warm te wezen, alsof hij hier in huis is gebakken. Ik heb nog nooit een plakje cake gegeten, bij een eenzame uitvaart. Ik heb alleen gadegeslagen hoe anderen dat doen. Ook Wim Brands neemt een plakje, net als Van Bokhoven, ieder één.

Op de terugweg wil mijn moderne snufje mij geen goede reis meer wensen, natuurlijk, ik rijd nog altijd in die andere tram rond, er is niet voldoende saldo over om mij terug te brengen. Ik leg het allemaal aan de conductrice uit. Ze haalt haar schouders op. Wim zegt: 'Dat doe je verkeerd. Je houdt je kaart bij het instappen voortaan gewoon twee keer voor de kaartlezer, heb je meteen weer uitgecheckt, kan je dat ook niet meer vergeten.' Check in. Check uit. Klaar.


© voor het gedicht: Wim Brands
© voor het verslag: F. Starik.




+

zondag 13 december 2009

Eenzame Uitvaart nr.6, ANTWERPEN, SCHOONSELHOF

R.L.

R.L. is op 19 februari 1950 geboren te Antwerpen en daar overleden op 2 december 2009. R.L. werd begraven op 10 december 2009 op begraafplaats Schoonselhof.

Dichter van dienst was Andy Fierens.

Wanneer in de Aldi achter mijn hoek de speculaas uit de rekken wordt gehaald, krijg ik een mailtje van de Firma. De Firma heft zijn mails steeds op dezelfde manier aan, en sluit ze weer identiek af. Daartussen zit een opsomming van biografische gegevens zo uit het rijksregister geplukt. Veel gegevens zijn het nooit. Twee datums, de naam van een ziekenhuis of een rusthuis, eventueel een straatnaam.
Deze mail maakt gewag van een eenzame uitvaart die ze hebben ontvangen van het Sociaal Centrum Veemarkt. Meneer heeft familie maar ‘deze doet volledige afstand van hem’. Meer afstand dan de dood kan ik soms niet bedenken. Ik bel Andy Fierens op die na zijn grimmige debuut ‘Grote smerige vlinder’ een mooi gedicht zal proberen te schrijven. Iets wat hij sinds zijn koerscorrectie tien jaar geleden niet meer deed, zei hij, maar nog wel kon. Hij heeft anderhalve dag om het gedicht voor meneer L. te pennen. Wanneer ik inhaak beslis ik om even langs meneer L. zijn oude straat te rijden, het is niet ver en bruikbare informatie voor het gedicht hebben we niet. Zijn brievenbus zit vol reclamefolders, en de versleten vitrage hangt voor het raam. Meneer L. woonde gelijkvloers. Als ik bij de buurman aanbel kan die me niets meer vertellen dan dat R.L. op zichzelf was, en alleen. En dat R.L. nog een broer had die tot aan zijn dood afgelopen zomer schuin over hem woonde. Sinds de dood van zijn broer was meneer L. steeds meer op café te vinden dan elders, zei de buurman nog. En dan werd hij ziek.

Wanneer Andy en ik ceremoniemeester Bert aan de ingang van de begraafplaats vinden, merken we naast een grote troep kraaien in een dode boom ook op dat er nog bezoekers voor de uitvaart zijn. Eerst twee vrouwen die zeggen verre familie te zijn, en dan duikt er nog een broer op van meneer L. Ceremoniemeester Bert is zoals steeds zijn hartelijke zelf, maar wordt toch wat ongeduldig; het is drie uur en de gravers wachten niet. Er is wat verwarring, men moet nog wachten op nog twee familieleden die ‘van ver komen’. Andy en ik duiken al bij Bert in zijn kleine vinnige autootje, met mijn lange benen mag ik vooraan, en in de spiegels zien we een Nederlandse wagen het kerkhof oprijden.

Uiteindelijk kunnen we nog een kleine stoet vormen die van de wagens naar het graf wandelt. We hadden onze komst al voorgelegd aan de verre familie die onverwacht was opgedoken, maar Bert doet aan het graf de reden van ons bezoek nog eens uit te doeken. Dan is het Andy zijn beurt.


R.L. (1950 – 2009)

was wekenlange regen voorbode van dit lot?

had het zijn zaad sinds lang in jou gezaaid?

of kwam het ongedacht, als iemand die je laat

voorgaan in een drukke bar. het leven heeft

zijn wetten, de dood zijn rituelen. we zijn hier

omdat we hier zijn. dat moet volstaan. tot we

vertrekken, om dezelfde vage reden. daartussen

vullen we de dagen, het staren naar de slinger

van de klok. wat zeg je als men vraagt waarom

je kinderen niet spreken of hoe het is, nu een broer

uit zicht verdween. je slikt en staart, woorden lopen

jankend van je weg. zie. zie dat blad daar aan die

boom, het wuift als een vermoeide hand, breekt niet

van de tak maar laat langzaam los, valt niet, wiegt

zachtjes naar de grond. het is december, bijna kerst

- geen vetes meer, geen tranen. hoe helder

deze eerste nacht onder een bloedloze maan.


Bert rondt de begrafenis af met de mededeling dat wie het wil de kist kan groeten op de manier die hem het meest geschikt lijkt, niets is ongepast. Er wordt wat onwennig heen en weer geschuifeld, niemand maakt aanstalten, tot er toch middels een klein duwtje in de rug beweging komt in het gezelschap. Dan is het voorbij, de kist wordt hakkelend de kuil in gelaten en er lijkt een kleine reünie te ontstaan tussen de familieleden.

Van Bert krijgen Andy en ik nog een kleine lift naar de uitgang van de begraafplaats. Aan de tramhalte in Hoboken is er nog café De Leuvenaar waar Andy en ik koffie en wijn nuttigen. Er wordt een eigenaardig biljartspel gespeeld en op het prikbord aan de toiletten hangt de mededeling dat er een ‘teerfeest’ wordt georganiseerd. Door het raam zie ik de wolken openbreken en een grote troep kraaien vliegt krijsend op.

Voor gedicht: Andy Fierens

Voor verslag: Maarten Inghels



+

maandag 30 november 2009

Eenzame uitvaart nummer 22, Den Haag

I.M. Anish Lipassa, geboren op 12 januari 1940, overleden in Den Haag op 21 november 2009.
maandag 30 november 2009, 09.00 uur, begraafplaats Oud Eik en Duinen, Den Haag.
Dichter van dienst: Kees 't Hart

Op donderdag 26 november belde Henk van Zuiden over het overlijden van de Heer Lipassa. Hij was 24 november dood in zijn huis aangetroffen door de politie nadat een buurvrouw hen had gebeld. Hij had waarschijnlijk een paar dagen dood in zijn huis gelegen. Er was niet veel over hem bekend. Hij had een zoon (1966) en een dochter (1974) uit drie huwelijken maar zij hadden geen contact met hun vader en wilden op geen enkele manier bij de begrafenis betrokken worden. De dochter wist niet dat hij haar vader was. Ik heb zijn buurvrouw gebeld, zij had de politie gewaarschuwd, maar zij wist vrijwel niets over de Heer Lipassa. Hij was eenzelvig, zocht geen enkel contact, ze wist wel dat het de laatste jaren wat minder met hem ging, er was een keer een klein brandje geweest. Hij had eten aan laten branden. Ook wist ze dat hij een aantal jaar geleden nog in Suriname was geweest, maar ze wist niet of hij daar was geboren. Meer gegevens kreeg ik niet los. Ik belde nog Gerard van Poelgeest van de Gemeente Den Haag of hij toch nog iets meer wist, maar dit was het.
Ik schreef het gedicht op zondagavond, zoals gewoonlijk zo kort mogelijk voor de begrafenis, dat houdt alle mogelijkheden zo lang mogelijk open. Op de fiets naar de begraafplaats bedacht ik dat mijn laatste zin niet goed was. Ik had geschreven: ‘ik was als altijd weer te laat’. Dat leek me ineens veel te metafysisch en symbolisch, bovendien aanstellerig want ik was helemaal niet te laat. Ik bedacht op de fiets de regels: ‘zoals altijd was ik er weer.’ Dat was waar en er zat geen filosofie aan. Ik leende een pen van de vertegenwoordiger van de begraafplaats en veranderde de regel in het gedicht. De begrafenis was sober. De vertegenwoordiger vertelde me dat er vijf anderen konden komen, wat me enigszins verbaasde. Wie zouden dat kunnen zijn? Maar er kwam niemand, we waren in totaal met z’n vieren, de begrafenisondernemer, de vertegenwoordiger van de begraafplaats, Henk van Zuiden en ik. Ik zocht een muziekstukje uit, van Chopin, maar achteraf vond ik het wat te pompeus, al klonk het wel dramatisch. Ik las het gedicht rustig voor. De kist werd vervoerd door vier dragers.


Gedicht voor Anish Lipassa



doodgaan is geen wereldwonder
al komt er vaak heel wat bij kijken
de een sterft in een donkere kamer
de ander thuis of in een ziekenhuis
of rijdt er zijn auto bij in de prak

je kunt je niet goed voorbereiden
al valt dat soms ook wel weer mee
ik was bij mijn moeder toen ze stierf
ze wist ervan en knikte even naar me
we waren thuis de gordijnen open

bij jou was niemand toen je ging
misschien was je even ingedut en toen
was de tijd je voorgoed opgebroken
het had veel weg van de gewoonste zaken
zelfs de tijd voor angst was weg gewist

eenzelvige man die niemand tot zich liet
dat was geen optie alleen vroeger even
Surinamer bleef je meestal op een afstand
je moet wat in je kamer hebben afgereisd
dag meneer, zoals altijd was ik er weer



Kees `t Hart




+

maandag 23 november 2009

Eenzame uitvaart nummer 21, Den Haag, Nieuw Eik en Duinen, 18 november 2009

I.M. Huib Jansen op de Tak, geboren op 25 januari 1947 en overleden op 10 november 2009

Dichter van dienst: Erwin Vogelezang


Dat er 50 manieren zijn om je geliefde te verlaten, is al sinds het midden van de jaren '70 bekend. Vanaf vandaag weet ik dat er ook minimaal 51 manieren zijn om te sterven. Huib koos op zijn 62e voor de 51e manier. En zette met vaste tekenaarshand drie ferme strepen onder zijn bestaan. Wat rest zijn de geijkte vragen die ik, tegen beter weten in, toch stel aan de volumineuzige neef én kunstbroeder (“Hij stond eens in de tien jaar plotseling voor de deur en als hij weer was vertrokken, had ik eigenlijk geen idee waar het gesprek over ging”), de buurvrouw met de woonboot die Huib nog steeds zou kopen (“Soms schoot ik wel eens weg als ik hem aan zag komen lopen – als hij eenmaal op zijn praatstoel zat, kwam je bijna niet meer van hem af. Maar het was een hele vriendelijke man”) en de dame van de Soos (“Ik had met hem te doen. Hij had het over zijn overleden moeder alsof het gisteren was gebeurd”).

Maar het antwoord op de vragen waarom nu en waarom op deze manier? Ik vind ze niet. Ook niet in de brief die in zijn dossier is blijven steken, want hoewel letterlijk aan zijn ouders gericht, is de toon verraderlijk afstandelijk. Vader speelde piano, moeder bakte appeltaart, Huib blijft ongrijpbaar. En zijn tekeningen? Die heeft geen enkele aanwezige ooit gezien. Toch kan daar nog verandering in komen: het televisieprogramma Kruispunt, vandaag vertegenwoordigd door een cameraman, zal aandacht aan Huib's dood besteden en aanwezig zijn bij het ontruimen van de woning. Een behoorlijke opgave, want zijn almaar uitdijende collectie watalnietenzusenzo (“Er hing al jaren een eenzame kerstbal in het raamkozijn”) was zo ver opgerukt, dat Huib slechts een leef- en sterfruimte restte van enkele vierkante meters.

Of het iets te maken heeft met de media-aandacht weet ik niet, maar dit is mijn eerste Eenzame Uitvaart waarbij de uitvaartleider het woord tot de aanwezigen richt. Hij zegt iets over stof. Maar dat vindt pas later plaats, als de kist met Huib afdaalt in het door hem enkele maanden geleden gereserveerde familiegraf (Vader, Moeder, Broer) en de herfstwind heerst. Eerst luisteren we binnen naar 'The Proposition #1' (Nick Cave & Warren Ellis), 'Do not go gentle into that good night' (Dylan Thomas, uitvoering van John Cale) en 'Het Dorp' (Wim Sonneveld), waar Huib in zijn brief aan refereerde. Tijdens de, ook documentair noodzakelijke, nazit-met-koffie krijg ik van de dochter van de buurvouw met de woonboot, toch nog een onverwacht inkijkje in de denkwijze van de overledene. Hij noemde haar altijd 'de indiaan'. Zij heeft nooit goed begrepen waarom. Maar wie straks de documentaire bekijkt, ziet het direct: ook Zilverslang bewijst Huib vandaag de laatste eer. “Omdat ik vind dat het zo hoort,” zegt ze. Iedereen knikt.



appeltaartpiano

ik ben hier om de huid van een bestaan
om u te vouwen, omdat u zo moest waken,
omdat Vader dat voor Moeder vroeg.

ik ben hier omdat Broer er niet is,
omdat sterven mensenwerk, omdat was
steeds gedaan en vochtvoeten gezalfd.

ik ben hier omdat u kordate lijnen trok
om chaos buiten, herinnering binnen –
en om u in het midden, thuiskomend.

ik ben hier om wat u open hield te vullen
met uzelf, omdat u er drie harde strepen
onder zette, om Broer, piano, appeltaart.





(C) Voor gedicht en verslag: Erwin Vogelezang



+