UITVAARTEN

Omschrijving van de eenzame uitvaarten in Nederland bijgewoond door de dichters in dienst van de stichting Eenzame uitvaart

dinsdag 27 mei 2008

EENZAME UITVAART nummer 95, Amsterdam.

I.M. Heinz Frederik Vroon, Amsterdam, 5 februari 1926 † 14 mei 2008
maandag 26 mei, 15 uur, begraafplaats St. Barbara.
Dichter van dienst: F. Starik

De heer Vroon is op 14 mei gevonden in de gang van zijn woning aan de Zaaiersweg, de thuiszorg kreeg die middag geen gehoor. Verderop in de straat waren schilders aan het werk. Een van de schilders heeft zijn ladder tegen de woning geplaatst om naar binnen te kijken, waarop de politie werd gewaarschuwd die om 13.20 uur zijn overlijden vaststelde.

Heinz is getrouwd geweest, geen kinderen, er is nog een zuster in leven met wie hij nooit contact had, zij laat de dienst telefonisch weten niet naar de uitvaart te kunnen komen. Via het bevolkingsregister blijkt het gezin Vroon in 1926 van Amsterdam naar Zandvoort te zijn verhuisd, en van daar in 1938 naar Hilversum, waar het spoor aanvankelijk doodloopt. Via de LRD, welke afkorting vermoedelijk Landelijke Registratie Dienst betekent, komt de Dienst zijn voormalige echtgenote op het spoor. Ze verblijft in een verpleegtehuis. Is niet of nauwelijks aanspreekbaar meer.

Van Bokhoven heeft de woning bezocht. Hij omschrijft de achtergebleven woning als ‘netjes verzorgd, leuke spulletjes, een mooi antiek bureau.’ De ruime woning telde twee etages. Twee slaapkamers: de eerste met een fraai houten onbeslapen ledikant, de ander met een opklapbed, ten behoeve van de logees, die nooit kwamen. In de woonkamer beneden nog een bed.

Er is geen testament. Er staat nog een behoorlijk bedrag op zijn bankrekening. Er was een luxueuze uitvaartverzekering ‘in natura’ afgesloten. Dat betekent: acht dragers, die de kist daadwerkelijk schouderen, in plaats van het standaardaantal van vier dragers, die de kist dan op een baar naar de laatste rustplaats rollen. Misschien zullen er mooie bloemen zijn, mooier dan gebruikelijk. De uitvaart zal bezocht worden door een filmploegje van de Universiteit van Amsterdam, waar de studie kennelijk in beeldende zin wordt beoefend, een studie verricht aan een eenzaam gestorvene, wiens uitvaart op film zal worden vastgelegd, dit met toestemming van de afdeling Communicatie van de Dienst.

Dat betekent dat ik het gedicht zelf zal moeten schrijven. Ik heb meteen een beeld bij de verweesd achtergebleven dingen in de woning, die met hun eigenaar hun ziel en hun betekenis verliezen. Van Bokhoven vertelt hoe meneer Vroon gevonden is. De mevrouw van de Thuiszorg werd niet opengedaan. Dat vond ze verontrustend. Verderop in de straat was een groep schilders in de weer, ze sprak een van hen aan op het bezit van een ladder: of hij misschien even wilde kijken of hij iets zag? De schilder voldeed aan haar verzoek en zag de oude heer bewegingloos in de gang van zijn woning liggen. Kwam geschrokken naar beneden geklommen en bevestigde wat de mevrouw van de Thuiszorg al vermoedde. Dan is het handig als je een mobieltje bij je hebt, een mobieltje, ja dat hadden ze allemaal wel bij zich. De politie werd gebeld, die niet veel later arriveerde, de deur van de woning forceerde, de dood constateerde, het precieze tijdstip van de vondst noteerde. Daarna kwam het hele circus op gang. De mevrouw van Thuiszorg mocht naar huis. De politie informeerde de Dienst, Van Bokhoven bezocht de woning, de rest is geschiedenis.

De zaterdag voorafgaand aan de uitvaart overlijdt mijn computer. Godlof heb ik het gedicht reeds uitgeprint. Het was betrekkelijk vanzelfsprekend tot stand gekomen. Zondag komen de studenten vragen stellen als: doet u dit werk al lang? Is dat nou moeilijk, een gedicht schrijven voor iemand die je helemaal niet hebt gekend? Ik geef op alle vragen antwoord, netjes en geduldig. Zit voor joker achter mijn kapotte computer voor het sfeervolle beeld, dat je kunt zien hoe ik dat doe. En hoe ik de muziek uitzoek. Ik wil een nummer van the Tindersticks gebruiken, maar weet niet zeker of the introduction niet naadloos overgaat in het tweede nummer, of het wel een losse track is. Ook dat laat ik lief zien, hoe ik het doosje zoek, de cd in de speler schuif, keurend luister waar de zang invalt, valt mee: dat gebeurt pas, zoals ik gehoopt had, bij nummer twee. Een aarzelende piano, een tinkeling, een klokje dat het tikken opgeeft, heel mooi, vinden we allemaal, de studenten en ik.

Maandag dan. De uitvaart is pas om drie uur gepland. Het regent bijna, grijze, zachte dag. Ik steek een paraplu bij me. Tussen de dragers door, die al bij de poort staan opgesteld, fiets ik St. Barbara op, groet meneer Degenkamp, die met grote passen het terrein tussen woning en aula oversteekt. Ik wandel plechtig en afgemeten naar de aula, zie dat de filmploeg al klaarstaat om de aankomst van de dichter vast te leggen. Mooie entree. Even later arriveren Van Bokhoven en zijn nieuwe chef ad interim, Bert Kiewik. Willem Kerstens is ziek, heeft zich voor geruime tijd afgemeld. Kiewik blijkt een opgewekte, hartelijke veertiger, type onderwijzer, snor, van het licht ironische type. We wisselen de noodzakelijke beleefdheden uit.

De lijkwagen maakt zijn rondje over het grind om het plantsoen en komt dan voor de aula knarsend tot stilstand, mooi geluid, het knerpen van het grind. Zwijgend nu slaan we gezamenlijk het uitladen van de kist gade. Degenkamp voegt zich bij ons. Wat doen we met de muziek? Vraag ik Van Bokhoven. Iets in de woning gevonden? Nee, hij laat dat graag aan mij. Ik heb alleen dat eerste nummer van de nieuwe Tindersticks, dat ik graag na het gedicht zou horen. Degenkamp stelt het Adagio in c kleine terts van Benedetto Marcello voor. En laten we dan besluiten met de herfst van Vivaldi, probeer ik. Dus niet de winter, niet de zomer, niet het voorjaar. Degenkamp heeft liefst de winter want de herfst, die duurt zo lang, wel veertien minuten. Nu begrijp ik eindelijk waarom de herfst van Degenkamp zo afwijkt van de mijne. Ik draai alleen dat langzame deel, ergens halverwege, duurt amper drie minuten.

Op de cd van Degenkamp is de hele herfst één track. Die kun je het beste voor het laatst bewaren. We zijn nu allemaal tevreden. We kunnen beginnen, gaan achter de camera aan naar binnen, gaan zitten. Van Bokhoven en Kiewik links op de eerste rij, ik schuif rechts het harde bankje binnen. Als Marcello is uitgeklonken treed ik naar voren.




Mooi huis met leuke spulletjes


Het antieke bureau met de lades, een tafel,
de stoelen, de kastjes, alles netjes verzorgd,
het eenpersoonsbed in de kamer, dan
hoef je niet naar boven om te slapen.

Alles heeft een functie hier: de stoel
om in te zitten, aan tafel, de bank om ‘s avonds
op te liggen, de kastjes om de mooie glazen
te bewaren, de laden voor verzekeringspapieren.

Nooit bedacht aan wie dit alles na te laten.
Geen kinderen. De vrouw van wie je scheidde,
een zus die nooit contact opnam. Iemand van
de thuiszorg dan, maar telkens iemand anders.

De schilder die de buitenboel kwam doen
vanaf zijn trap jou in de gang zag liggen,
die aardige politieman. Met jou verliezen
alle dingen zin en samenhang.




© gedicht en verslag F. Starik




+

Labels:

vrijdag 4 april 2008

Eenzame uitvaart nummer 94

I.M. Jose Da Silva Almeira, 19 oktober 1948, Rio Tinta (Portugal)
† Amsterdam, 24 maart 2008.

De Nieuwe Ooster begraafplaats, donderdag 3 april 2008, 15 uur.

dichter van dienst: Menno Wigman


Jose Da Silva Almeira woonde in Engeland, Middlesex. Hij had een Engels paspoort. Hij was getrouwd en laat een zoon van zestien jaar achter. Hij verbleef tijdelijk in Amsterdam. Hij werd gevonden aan De Ruyterkade, tegenover de Westelijke onderdoorgang, om 19.30 uur.

Het lichaam is in beslag genomen en vrijgegeven op vrijdag 28 maart. De echtgenote is naar Amsterdam gekomen om de identiteit vast te stellen , ‘dat de overledene haar echtgenoot is,’ vermeldt het ambtsbericht: ‘Er is geen geld en geen verzekering, transport naar Engeland niet mogelijk. Echtgenote verzoekt via de politie om een crematie te regelen in Amsterdam. De as moet te zijner tijd naar Engeland. De echtgenote is zaterdag terug naar huis gegaan. Ze komt niet naar de crematie. Dit betreft een zelfdoding.’

Menno Wigman gaat ermee aan de slag. Van Bokhoven geeft hem het nummer van de rechercheur, die de zaak behandelde. Die betoont zich opmerkelijk toeschietelijk. Men kan natuurlijk niets vertellen, maar wil wel kwijt dat meneer Almeira zich in de buitenlucht heeft verhangen, op een bouwplaats naast die Westelijke Onderdoorgang, het tunneltje naar Noord. Men vermoedt dat hij hier op zoek was naar een klusje. Hij is nog uitgezwaaid door zijn familie, toen hij naar Amsterdam vertrok.

In de dagen voorafgaand aan de uitvaart overleggen we over de muziekkeuze. Northern Sky van Nick Drake, stelt Menno voor, echt zo’n nummer dat altijd weet te ontroeren. Ik steek een cd van Arvo Pärt bij me. Ik denk aan Pink Floyd, een stukje uit The Wall, een filmisch muziekje van amper twee minuten, waaraan voorafgaand gezongen wordt: ‘Is there anybody out there?’ Maar dat ligt er dan weer zo dik op, te dik. Aarzel over Fake Empire van The National, maar dat is misschien toch te veel popmuziek.

Donderdagmiddag. De lente wil maar niet arriveren, grijze, kille dag. Op de Nieuwe Ooster vind ik Menno. Even later meldt zich ook uitvaartleider Veldhoen, een lange, wat gebogen man, grijze snor. ‘Tijd niet gezien,’ begroet hij me. Daar is ook Van Bokhoven. Hij heeft een hoop mededelingen van huishoudelijke aard. Meneer Kerstens, de chef, is met ziekteverlof, dat kon wel eens lang gaan duren, er is een voorlopige nieuwe chef in zijn plaats gezet. Ik schrijf zijn naam op een klein papiertje. Bert Kiewik. ‘Ik was gisteren nog bij u in de buurt, aan de overkant, nummer 97. Een man met een scootmobiel, in het ziekenhuis overleden.’ Er is wel wat familie gevonden, die hoeven wij niet te doen. ‘Gelukkig maar.’ Ik haal dikwijls mijn fiets van het slot tegenover het raam van zijn benedenhuis, de televisie staat altijd aan. Nu is de televisie uitgedaan.

Er is een verzoek van de Universiteit om een film over de eenzame uitvaart te maken binnengekomen, dat ligt nu bij de afdeling Communicatie, dus daar zullen we binnenkort meer over horen. De Evangelische Omroep zond een paar dagen geleden in Netwerk een reportage uit over eenzame doden, die lang in huis hebben gelegen: een man in IJmuiden die vijf maanden in zijn rijtjeshuis lag. Ze praten met de buren. Niks gemerkt. Een man in een spoorwachterhuisje, in Baarn. Heeft een maand lang dood gelegen. Voorbijgangers liepen liever een blokje om. Hij maakte net iets te graag een praatje, als de slagbomen gesloten waren en jij moest wachten tot je verder kon. De man in IJmuiden is getrouwd geweest, zijn echtgenote woont in Santpoort, Menno herkende de bloemenvrouw iets verderop in dezelfde straat uit zijn jeugd. Niets veranderd, geen dag ouder geworden. Misschien gaat er iets zuiverends uit van de dagelijkse omgang met bloemen. Een tijdje geleden werd ik gebeld door een redacteur die het programma voorbereidde. Of wij ook Christelijke gedichten maakten. Ik vond van niet, maar bij een volgende uitvaart maakte ik voor iemand die Maria heette toch iets dat bijna in die richting wees.

We overleggen nog maar eens over de muziekkeuze. Meneer Veldhoen heeft al drie keer licht klassiek ingeprogrammeerd. We besluiten met ‘Het Air van Bach’ te beginnen, gevolgd door Nick Drake, om af te sluiten met ‘Spiegel im Spiegel’ van Arvo Pärt. ‘Dat is een hele zit,’ waarschuw ik, duurt zeker tien minuten. ‘We kunnen altijd na een paar minuten opstaan,’stelt de uitvaartleider gerust. We gaan de kleine aula binnen. Bach doet zijn werk. Menno stapt naar voren, kucht in de microfoon, vat in extenso samen wat hij van de dode weet, leest dan zijn gedicht, traag, helder, duidelijk.



Soms voel je bijna dat je leeft


Soms voel je bijna dat je leeft. Je boekt
een vlucht, betreedt een stad, neemt kamers in
en waant je halfgod bij een kofferklik.

Niets weet je van wie hier je asbak leegt.
Niets weet je van wie hier je lakens schikt,
je paspoort weegt, je hoofd uitruimt. Je leeft.

Zesduizend scrambled eggs. Voor jou. Voor jou
houdt Amsterdam zijn gevels overeind,
bouwt men er tunnels, pubs en torens bij.

Die avond ging je kijken bij het IJ.
Je zag een bouwput en je wist het niet.
Wat hield die domme kranen overeind?

Kleiner, steeds kleiner, je voet vond een brug.
Crowd and crime. Je schopt terug. Zorgt dat je tong
zich uitspreekt in een welgevormde lus.


© Menno Wigman


‘Beste meneer Almeira,’ besluit hij, ‘slaap zacht en zonder dromen.’ Nick Drake zingt zijn voorzichtige lied, Arvo Pärt vult de ruimte met parelende, minimale pianoklanken, omlijst door een zoekende viool. We zitten heel stil, drie mannen op een rijtje, de benen over elkaar geslagen.. De uitvaartleider staat bij de knoppen, achter ons. De tijd lijkt tijdelijk opgeheven. Als de muziek is uitgeklonken, gebeurt er nog enige tijd niets. Dan komt de uitvaartleider toch naar voren, maakt en handgebaar, wijst op de kist, opent de deur. Van Bokhoven staat op, buigt voor de kist, we staan allemaal rechtop, buigen, vertrekken naar de koffiekamer. Het duurt even, voor we de stilte en de afwezigheid van tijd van ons hebben afgeschud. We blijven staan. Als de koffie arriveert, gaan we pas weer zitten. Curieus, hoe we zo zwijgend bij meneer Almeira zaten, toch ruim een kwartier, bewegingloos.

Die avond overlijdt een van de drie grote goudvissen, die er in mijn aquarium rondzwemmen. Als ik thuiskom, ligt hij moedeloos op de bodem naar adem te happen, lijkt het, zijn bek beweegt traag op en neer, alsof hij benauwd is. Moedeloos, dat woord heeft Menno die middag dikwijls gebruikt. De moedeloosheid dat de lente niet wil komen. De moedeloosheid van een zelfgezocht einde.



+

Labels:

dinsdag 25 maart 2008

Eenzame uitvaart nummer 93

I.M. Richard John Levett, Norwich, 21 oktober 1944 † 10 maart 2008, Onze Lieve Vrouwe Gasthuis, Amsterdam

Begraafplaats St. Barbara, dinsdag 25 maart 2008, 10 uur

Dichter van dienst: Erik Lindner

Op 13 maart jongstleden meldde het mortuarium van het OLVG dat men omhoog zat met het stoffelijk overschot van Richard John Levett, die enkele dagen daarvoor, op 10 maart om 5.10 uur ’s ochtends in het ziekenhuis was overleden. Niemand bekommert zich om het lichaam, meldde de fax. De betrokkene is een Engelsman, woonachtig aan de Hampsfall Drive nummer 68 in Lancashire. Hij verbleef met een vriend als toerist in Amsterdam, de heer Jackson.

Meneer Jackson woont ook in Engeland. Het ambtsbericht meldt verder: ‘het verzoek om obductie wordt door ons NIET toegestaan.’ Daarvan is de chef van meneer van Bokhoven, die de melding behandelt, op de hoogte gesteld. Een reden daarvoor wordt niet opgeven, maar dat hoeft ook niet, omdat de doodsoorzaak een natuurlijke was, voor zover een hartaanval in de loop der natuurlijke orde inbegrepen is.

Hij werd met hartklachten opgenomen in het ziekenhuis, zo begrijpen wij. Van Bokhoven heeft contact gehad met het ziekenhuis en kreeg de afdeling hartbewaking aan de telefoon. Het Engelse consulaat is van zijn overlijden op de hoogte gesteld. Hij was alleenstaand, geen familie gevonden. Het consulaat zoekt verder naar een verzekering en geld. Er worden diverse pogingen ondernomen om de heer Jackson te spreken te krijgen, van wie men aanneemt dat hij terug naar Engeland is gegaan. De overledene wordt overgebracht naar Uitvaartcentrum Zuid.

Zes dagen later meldt het Britse Consulaat dat er nog altijd geen familie is gevonden, geen verzekering en geen geld. Ook de heer Jackson heeft zich nog altijd niet gemeld. ‘Dat wordt dus een eenzame uitvaart, ik ga zelf naar de uitvaart en ga een dichter regelen,’ schrijft van Bokhoven in zijn ambtsbericht. De datum van de uitvaart wordt vastgesteld op dinsdag 25 maart, tien uur.

Woensdag 19 maart belt Van Bokhoven kort met de heer Starik, en faxt even later het ambtsbericht aan hem door. Starik belt met Erik Lindner, die bereid is Pasen te vieren in het virtuele gezelschap van Richard John Levett. Hij ontvangt de gegevens per e-mail.

Daar ga je. De koudste Pasen sedert veertig jaar, en tevens de vroegste Pasen sedert vele jaren, welke twee gegevens door de klimaatdeskundigen zelden worden gecombineerd, teneinde de illusie van urgentie niet te verstoren: het klimaat is van slag af, heet het nu. Pasen heeft een modderig laagje sneeuw achtergelaten, door de moeder van mijn geliefde aangeduid als ‘brats’. Brats, een mooi woord voor wat de schoenen snel doorweekt, al wie door de brats gaat wandelen. Terwijl een vers pak vlokken over de stad wordt uitgeschud, besluit ik naar de begraafplaats te gaan lopen. Paraplu mee. Het is mijn veronderstelling dat men al wandelend minder nat wordt dan op de fiets, al waaien de sneeuwvlokken alle kanten uit, ook onder de paraplu, en verzuimt de brats niet zijn verwoestende arbeid aan mijn schoenen te verrichten. Met stijve pasjes om niet uit te glijden begeef ik mij derwaarts, ik neem ruim de tijd. Als ik aankom houdt het op met sneeuwen. Het klokje van de begraafplaats tinkelt al, ten teken dat de lijkwagen is gearriveerd, die is ook vroeger dan gebruikelijk vertrokken. De radio meldde vanochtend de langste file die er ooit in ons land is gemeten. Ik zie de heer Degenkamp de oversteek van kantoor naar aula wagen. Hij draagt geen overjas. De dragers posteren zich met de kist in het voorportaal van de aula, waar het behaaglijk warm is gestookt.

De uitvaartleider meldt zich, meneer Loos. ‘U moet de dichter zijn,’weet hij, maar ik ben de dichter niet, ik ben de directeur van de dichters, legt meneer Degenkamp uit, zo is het toch, meneer Starik? Ik knik bevestigend. Zoals u wilt. Even later arriveert Van Bokhoven met een collega van de Dienst, die in het zelfde gebouw werkzaam is. Hij informeert of we allemaal voorspoedige paasdagen hebben gehad. Ik haal mijn schouders op. Het is waar dat ik een extra ei gegeten heb, en zondag bij mijn geliefde eenentwintig hoogtepunten uit de Matthäus Passion beluisterd heb, maar van een paasviering was verder geen sprake, qua kerkbezoek, dan wel het nuttigen van extra luxe producten uit de feestlijn die ons door Albert Heyn zo sterk wordt aanbevolen. Ik heb twee cd’s meegenomen, die van de hoogtepunten en een Bob Dylan. Zijn generatie.

Waar blijft Lindner? Even over tienen fietst hij kalm de begraafplaats op, een dikke shawl om de nek geslagen, ook al zonder overjas, terwijl hij helemaal uit Oost kwam fietsen. Als hij ons bij de ingang van de aula ziet samenscholen, lijkt hij te aarzelen of er een ererondje vanaf kan rond het plantsoen voor de aula, alvorens te besluiten zijn fiets in het rek bij kantoor te plaatsen. Dan kunnen we beginnen. Onder de tonen van Erbarme Dich nemen we plaats: Van Bokhoven met collega in de voorste bank links, Lindner in de voorste bank rechts, ik zet mij een rij daarachter neder, zodat de dichter kan kiezen van welke zijde hij uit zijn bank wenst te glijden, als het moment daar is. Dan stapt meneer Loos die al die tijd in het middenpad is blijven staan naar voren en zegt dat we hier bijeenzijn om het lichaam van de heer Richard John Levett naar zijn laatste rustplaats te brengen, en dat er helaas geen vrienden of familie bij aanwezig kunnen zijn, niemand dan wij, de beroepshalve aanwezigen. En dat de dichter, hij wijst daarbij op Erik Lindner, nog enkele woorden zal spreken. Hij gaat af ter rechterzijde.

Dan wringt Lindner zich met zijn lange lijf uit zijn krappe bankje, haalt een stapeltje papieren uit de binnenzak van zijn zwarte colbert, waaronder een zeer donkergrijze broek de welhaast volmaakte illusie van een kostuum wekt, en steekt van wal.


In memoriam Richard John Levett (21 oktober 1944 † 10 maart 2008)


U overleed vijftien dagen terug bij mij aan het park.
Ik was thuis. Ik woon er aan de kant tegenover het ziekenhuis.

U bent geboren in Kent, dicht bij de ferry naar hier. U verhuisde ergens
in uw leven naar Lancashire. De streek tussen Blackpool en Lancaster.

Ik ken het daar. De ferry naar Ierland. De kerncentrales aan de kust,
de twee woningen onder een kap. Heysham en Morecamb. De midwest,

de verre rook van Liverpool en Manchester. Ik ben er zeventien jaar
terug voor het laatst geweest, ik haalde er mijn gekke moeder op.

Ik reed haar door dat hele Engeland naar Kent, zette haar op de boot
naar Nederland. Zoiets heet toeval, mijnheer Levett. Dat jaar keerde

ik nog eens terug voor haar inboedel ergens bij uw huis om de hoek.
En nu sterft u om mijn hoek. Denk niet dat ik daar wat achter zoek.

Toen u geboren werd was mijn moeder drie dagen oud. Vijf maanden
later schuilend in moeders armen onder een trap in het Bezuidenhout

gooiden Britse bommenwerpers mis op de Duitsers in het Haagse Bos.
Boem, een hele wijk ging plat. Bordewijk woonde in die wijk. Wat

zegt u dat? U was vijf maanden oud. Uw vriend Mister J. heeft niet op
u gewacht. Mother England sets you up. Zo kreeg u mij aan uw graf.

De boot naar een ander land? –
vaart niet meer. Een eiland nog,

vereenzaamd. Ze eet niet meer. Drinkt
niet. Slaapt in een witte nachtpon.


Met man en macht wens ik u hier thuis, Richard John Levett.
U mag hier liggen. Hier ging uw hart.



© Erik Lindner, 25 maart 2008


Bob Dylan’s geknepen stemgeluid galmt door de ruimte. Dat dacht ik al. De cd met hoogtepunten was op aanzienlijk lager volume opgenomen dan Dylan’s product. To make you feel my love. Voorafgaand aan de zitting, toen ik mijn muziek aan de uitvaartleider voorstelde, kwamen we overeen dat we als laatste dan het Hallelujah van Händel uit de voorraad van meneer Degenkamp zouden draaien, dat maakt de Paas mooi af. Als Bob Dylan is uitgezongen komt de uitvaartleider weer naar voren, ditmaal vanaf de rechterzijde. Hij bevestigt ons vermoeden dat we nu het Hallelujah nog gaan horen, en dat hij dan ondertussen de dragers zal vragen naar voren te komen, waarbij ons verzoekt om te gaan staan. Nu gaat hij af door het middenpad, en even later horen we de schuifelende voetstappen van de dragers nader komen. We gaan staan. De dragers buigen, zetten hun hoed op, rollen de baar naar buiten. Het sneeuwt niet meer, het hagelt. Degenkamp biedt Lindner een paraplu aan. Er staat NH Hoteles op geschreven. Hoteles. De mijne wordt gesierd door ‘Setpoint’, dat wel honderd keer aan de binnenzijde van het regenscherm staat afgedrukt, terwijl Van Bokhoven zich behelpen moet met een opvouwbaar, door hemzelf meegebracht merkloos kassakoopje, en zijn collega een opdruk draagt van een financiële instelling, die aanbeveelt al je zaken door hen te laten regelen.

Degenkamp, blootshoofds, gaat voor de stoet uit om de plaats te wijzen, waar Richard zijn laatste rustplaats gaat vinden. Venijnig tikken de witte korreltjes op de immer in blank hout gefineerde kist. Bij het graf staande mag de uitvaartleider die het zonder paraplu moet stellen onder het afdakje van de collega plaatsnemen, bij het graf staande mag meneer Degenkamp bij mij eronder. De uitvaartleider vraagt of iemand van ons nog iets zeggen wil, we schudden ontkennend . Dan neemt de uitvaartleider nog eens afscheid, met zo’n onnavolgbare formule, waarin het tijdelijke voor het eeuwige wordt verwisseld, en waarin men rust moge vinden, waarin het stoffelijk overschot wordt toevertrouwd aan de schoot der aarde. Degenkamp bukt om de kist te laten zakken. Hij hoeft gelukkig niet erg diep. In hoger tempo dan gebruikelijk marcheren we terug naar de koffiekamer. Iedereen neemt twee kopjes. De koffie is gloeiend heet, warmer dan gebruikelijk.





+

Labels:

dinsdag 4 maart 2008

Eenzame uitvaart nummer 92 (Amsterdam)

Dimitrijs Savina, 5 maart 1974 Cesis, Letland † 25 februari 2008, Amsterdam

Begraafplaats De Nieuwe Ooster, dinsdag 4 maart 2008, 10.30 uur.

Dichter van dienst: Neeltje Maria Min

Dimitrijs Savina, zonder vaste woon- of verblijfplaats, is bevonden in een bootje aan de Haarlemmerweg, tegenover nummer 1075, om half drie ’s middags. Zijn familie woont in Letland, er is contact geweest met de Ambassade. In eerste instantie zoekt de politie via Interpol naar familie in Ierland: bij een eerder verhoor heeft de overledene aangeven dat er familie in Dublin woonde. Ouders, ex-vrouw en zoon zijn op de hoogte gebracht van zijn overlijden. Ze komen niet naar Nederland voor de uitvaart, maar verzoeken om crematie. De as gaat te zijner tijd terug naar Letland, via de Ambassade.

Neeltje vraagt om meer informatie: wat is de doodsoorzaak? Door wie is hij gevonden? Hij was dus al bekend bij de politie? Ik bel met Van Bokhoven. Die weet dat meneer ‘wel wat problemen had met alcohol,’ dat de doodsoorzaak ‘natuurlijk’ wordt genoemd, dat hij eerder al eens is aangehouden, hoogstwaarschijnlijk als gevolg van diezelfde problemen met alcohol, dat een voorbijganger de politie heeft verwittigd dat er iemand in dat bootje lag, waarop de politie niet veel later vaststelde dat de man inderdaad was overleden.

Dinsdag. Buienradar is optimistischer dan de weerman gisteren was over mijn kans om De Nieuwe Ooster droog te halen, ik besluit het erop te wagen, op mijn glanzend nieuwe rijwiel. Prudent en behoedzaam fiets ik van West naar Oost, ruim binnen de tijd. Ik neem plaats op een bankje in de zon. Dan zie ik Neel aan komen lopen. Ze moet straks door naar de crematie van Jan Eijkelboom. Jammer, dat wij vanmorgen ook al een crematie hebben, wij vinden begraven mooier, we houden van het loopje naar het graf. En Neel zou de afwisseling op prijs gesteld hebben. Ik bestudeer het grind waarop we staan, zie een borrelnootje liggen, wijs Neel op het borrelnootje, raap het op. Het is geen borrelnootje maar een kiezelsteentje in de vorm van een borrelnootje. Ik geef het borrelnootje aan het grind terug. De uitvaartleider wenkt ons, met gespreide armen, vanuit de verte. We naderen elkander. ‘Ik hoop dat van Bokhoven nog komt, daar is het wachten op’ merk ik op, maar die heeft de uitvaartleider al gesignaleerd. We kunnen naar binnen. De kleine aula. De lente van Vivaldi klinkt op. Meteorologisch juist. Dan stapt Neel naar voren. Hoe zacht de muziek klonk, zo luid klinkt haar stem. De microfoon is voluit aangezet.



Zo vrij als een vis in de lucht

Iemand wou vrij zijn,
ontsloeg zijn familie
en zwaaide zich uit.
Manmoedig op weg naar
de dood in een bootje.

Iemand wou vrij zijn,
rennend of kruipend,
drinkend of denkend.
Onstuitbaar op weg naar
de dood in een bootje.

Op de vlucht voor geluk,
op weg naar de dood in een bootje,
werd iemand die vrij wou zijn
zo vrij als een vis in de lucht.

Dimitrijs Savina,
morgen je lege verjaardag,
geen muziek, geen bezoek.
Verregende verlanglijstjes
dekken je toe.


© Neeltje Maria Min, 4 maart 2008


We zijn allemaal heel stil. We zitten het tweede muziekstuk uit, dat door de uitvaartleider achteraf wordt aangeduid als ‘Mozart.’ Onder het derde muziekstuk, een fijn rustige piano, aangeduid als Lied ohne Worte, komt de uitvaartleider naar voren, buigt voor de kist en verlaat de aula. Hij laat de deur uitnodigend voor ons openstaan, wij verroeren ons nog altijd niet. We horen de uitvaartleider rommelen in de koffiekamer. Als de muziek is uitgeklonken staat Van Bokhoven op, wij volgen. Van Bokhoven buigt voor de dode, de arme Dimitrijs, Neel neemt afscheid met een hoofdknik. Ik leg even mijn hand op de koele kist.

Staand drinken we koffie. Het was een mooi gedicht, zegt de uitvaartleider. Neel pakt de envelop met harde kaft waarin zij haar gedicht heeft opgeborgen. Het handgeschreven gedicht is driemaal gekopieerd, er is precies voor iedereen een exemplaar. We kijken allemaal naar het papier in onze handen. Nemen dan afscheid van Neel, die verder moet, nemen afscheid van de uitvaartleider. Van Bokhoven heeft zich een bezoek aan het Uitvaartmuseum voorgenomen, dat sinds kort op De Nieuwe Ooster te bezichtigen valt. Ik besluit hem te vergezellen. We worden verwacht. Van Bokhoven wil toch graag een toegangskaartje kopen. Dat moet, vindt hij. Hij koopt voor ons allebei een toegangsbiljet. Ik koop dan maar een souvenir: een piepklein houten doodskistje, dat als sleutelhanger kan dienen. ‘Het voordeel van een houten sleutelhanger is, dat die blijft drijven, als je sleutel in het water valt,’ vindt onze gids door het Museum. Ik zal voortaan een kist met mijn sleutels meedragen. Ik zal blijven drijven, als ik in het water val.








+

Labels:

vrijdag 29 februari 2008

Eenzame uitvaart nummer 91 (Amsterdam)

I.M. Emma Justina Leijssen, 18 juni 1924, Amsterdam † 20 februari 2008, Amsterdam

Begraafplaats St. Barbara, vrijdag 29 februari, 9.30 uur

Dichter van dienst: Anneke Brassinga


Mevrouw Leijssen werd bevonden op haar woning in aan de Staalmeesterslaan in Amsterdam. Ze was ongehuwd, enig kind, ouders allebei overleden, ze heeft ongeveer zestien dagen ‘op haar woning gelegen.’ Twee mannen van de Dienst, chef Willem Kerstens en de nieuwe medewerker Arman, die nog altijd geen achternaam heeft gekregen ten kantore, hebben de woning bezocht, geen adresboek of telefoonklapper gevonden. Er is geen testament. Mevrouw was, in de woorden van Van Bokhoven, niet onbemiddeld. Ze laat ruim anderhalve ton achter, de nalatenschap wordt door de Dienst Domeinen afgewikkeld. Dichter van dienst Anneke Brassinga kan zich met Arman in verbinding stellen om meer informatie over haar woning in te winnen.

Vrijdagochtend. Een fraai mistige zon verlicht ons pad. Als ik aan kom rijden op St. Barbara staat de uitvaartleider buiten in gezelschap van de oude heer Degenkamp. Hij vindt dat ik mooi bruin ben gekleurd in de Canarische zon op het eiland, waar hij in de kerstvakantie eveneens verbleef. ‘Ik heb nog naar de kuil gezocht die jij daar in het strand gegraven hebt,’ grap ik. In de koffiekamer tref ik Anneke Brassinga. We begroeten elkaar met een handdruk, een glimlach en een buiging. ‘Hamsteraar,’ spreekt Brassinga, ‘mevrouw was een hamsteraar. Ze moet een auto hebben gehad. Anneke is naar de Staalmeesterslaan gegaan om naar haar woning te kijken. Elf hoog woonde ze. Ze beschrijft de omgeving en het uitzicht. Een kinderboerderij. Van Arman leerde ze dat het een keurige woning was, zij het volgehamsterd. Van Bokhoven, inmiddels gearriveerd, vult aan: “ze had niet eens een telefoon. Geen telefoonaansluiting.” Brassinga had haar naam niet in het telefoonboek aangetroffen.

Er zijn acht dragers, het bloemstuk is een maat royaler dan gebruikelijk. We overleggen over de muziekkeuze. Ik heb geen voorkeur; het gebruikelijke repertoire volstaat. Het requiem van Verdi, oppert Brassinga. De uitvaartleider haalt een cd met de mooiste klassieke melodieën uit zijn tas. Daar staat Verdi niet op. Daar moet Degenkamp maar raad op weten. Die heeft achter ook het nodige liggen. We kunnen beginnen. We treden de aula binnen via de koffiekamer. Brassinga laat haar korte bontjas daar achter, voert alleen haar tas met zich mede. Ze neemt plaats op de tweede rij, ik sluit aan naast Van Bokhoven op de eerste. Degenkamp opent met een licht muziekstuk, iets van Tsjaikovski, bijna vrolijk. Dan komt Anneke Brassinga naar voren. Kleine buiging voor de kist. Ze neemt plaats achter de katheder. Spreekt opvallend luid, nadrukkelijk, bijna assertief, al lijkt dat woord te groot gekozen.


Nalatenschap

(voor Emma Justina Leijssen)


Een mens bereidt zich voor op het onbestemde
dat toekomst heet - - wie leeft jaagt onvermoeibaar
het verlangen na, goed te zijn toegerust

en geborgen; linnengoed, voedsel, zeep, liefde,
kennis of macht. “Geen mens bestaat zonder
zijn eigen vracht.” En altijd knaagt het weten

dat we naakt, onbeschut, geboren zijn en sterven
moeten. Ook jij, Emma Justina, zo alleen op de wereld
bent als heel oud meisje omringd door bagage

op de eenzaamste reis gegaan. Van je verleden
kent niemand het geheim, in wat je naliet ligt
als verzegeld de volle lading van je bestaan.

Nu is de toekomst aangebroken, het moment
waar alle leven op wacht: dat het is afgelopen,
dat er niets dan rust is, bevrijding van vracht.



© Anneke Brassinga, 29 februari 2008


Een wonderschoon adagio dwarrelt door de ruimte, Bernadetto Marcello. Het is verder heel stil; niemand hoest of schuifelt of draait onrustig in zijn harde bankje. Als laatste muziekstuk vult een krachtig koor de ruimte op, daar zullen we Verdi hebben, krachtige mannenstemmen, het engelenkoor. De acht dragers komen naar voren, rijden de kist tot de ingang van de aula en schouderen dan. Brassinga volgt op minder dan een meter afstand, Van Bokhoven en ik houden toch minstens een meter of drie remafstand aan. De gehele weg naar het graf loopt ze zo dichtbij de kist, van enige afstand gezien zou ze kunnen doorgaan voor de negende drager, aan het voeteneinde van de kist. Ze heeft haar jas niet aangedaan, loopt in een dunne zwarte broek met daarboven een zwarte blouse van delicate stof met daarover een donkerbruin glanzend hesje de koude morgen in. We hoeven niet erg ver. Bij het graf wacht de bevrijding van de vracht, die op de schouders is gedragen.

In stilte daalt de kist. De uitvaartleider neemt eigener beweging de schep ter hand, biedt Brassinga als eerste een gevulde schep aan, gaat het hele rijtje af, ook Degenkamp komt aan de beurt, die op zijn beurt de schep terug aan de uitvaartleider passeert. Nu hebben we allemaal een schep zand gedoneerd. Op de terugweg vraagt de uitvaartleider om een kopie van het gedicht. ‘Ik heb er drie,’ doet Brassinga voorzichtig: ‘één voor de Dienst, één voor meneer Starik, ja, en dan nog één voor u. Dan faxt meneer Starik straks mijn gedicht wel weer aan mij terug.’ Ik beloof dat. Brassinga werkt op een echte typemachine: wat er op het papier staat is nergens anders opgeslagen.

‘Kippenvel,’zegt de uitvaartleider. Ik weet niet zeker of ik hem goed versta. ‘Ik zal dat maar als een compliment opvatten,’zegt Anneke, als we afscheid nemen. In de koffiekamer kletsen we nog wat over een televisieprogramma, de Club van 100, dat me benaderde voor een gevoelvolle uitzending en die ik alvast te kennen gaf dat we liever geen camera’s op de begraafplaats hebben. Ik informeer bij Brassinga of zij eventueel bereid zou zijn om ‘op camera’ net te doen alsof ze het gedicht gaat schrijven, want ze willen dan graag laten zien hoe zo’n dichter dat nou doet, een gedicht schrijven, maar Brassinga voelt daar niks voor. ‘Ik wil niet op de televisie. Ik hou daar helemaal niet van.’ Wel heeft ze gehoord dat de nieuwe stadsdichter van Amsterdam, Robert Anker, een eenzame uitvaart wil verzorgen. Ik was al eens begonnen met hem uitleggen wat zo ongeveer de bedoeling is, maar dat gesprek werd nooit afgemaakt. We zijn het erover eens dat het een gelukkige keuze zou zijn een en ander bij elkaar op te tellen. Als stadsdichter moet je wel, besluiten we. Van Bokhoven steekt de uitvaartpen in zijn broekzak, als we de zitting besluiten. We geven elkaar allemaal een hand.
Dank u wel. Kippenvel.


© verslag: F. Starik 29-02-08




+

Labels: